dinsdag 17 december 2013



De Herkansing    (Roman in wording. Dit is een ruwe eerste versie. Gaandeweg zullen er wijzigingen worden aangebracht.)                                 

 Artwork: Monique van der Werf

Geschreven tussen 17 december 2013 en 29 april 2014 in Norwich, United Kingdom

Voor Sarah.

Mijn dank gaat uit naar al die mensen die mij aangemoedigd hebben om door te gaan en soms zelfs hebben meegedacht: Froukje, Gea, Jolanda, Marijke, Marjo, Anne-Marie, Bob, Casper, Arnoud, Hedy en al die anderen.

Zonder Gaby was het een knoeiboel geworden, dankjewel voor het redigeren.                      


























“Second chances are stronger than secrets. You can let secrets go. But a second chance? You don't let that pass you by.”
― Daisy Whitney, When You Were Here               
                                                       1

Het was nog maar tien uur, ik had al ingecheckt en mijn bagage was via de lopende band in het niets verdwenen. Het is altijd weer spannend of je je koffer ooit weer terug ziet. En in dit geval zeker. Je hoorde van die verhalen over Zuid-Amerika. Het zal vast een beetje overdreven zijn, ik moest gewoon goede hoop houden. Ik was in ieder geval zo slim geweest om mijn Spaanse woordenboekje en het boek South America on a Shoestring in mijn rugzak te stoppen samen met wat schoon ondergoed, deodorant en mijn klein formaat laptop.

De wat gezette vrouw in haar bloemetjesjurk stond nog steeds achter het dranghek te wachten en was duidelijk blij me weer te zien. Ik had natuurlijk meteen richting gates kunnen gaan. Dat zou wel erg dom zijn geweest vanwege wat ze me eerder zei. De vrouw heette Truus Nelemans en ze had me gevraagd om op zoek te gaan naar haar broer. Erg veel wist ze me tot dan toe niet te vertellen. Een half jaar geleden was hij vertrokken naar Lima in Peru en sinds een paar maanden was er niets meer van hem vernomen.

Maar in de auto op weg naar Schiphol zei ze me dat ze nog iets voor me had. En dus nam ik haar mee naar boven, naar het restaurant. Ze wilde een cappuccino en ik nam een espresso. Toen ik na het betalen met het blad met koffie omkeerde, zag ik dat ze een tafeltje had gevonden met uitzicht op de vertrekhal. We hadden een gratis koekje in plastic verpakking erbij gekregen en we aten dat eerst op, zonder iets te zeggen. Toen pakte ze haar koffiekopje en probeerde voorzichtig een slokje te nemen. Het was - zoals te verwachten - nog veel te heet en ze zette het kopje terug op de schotel. Ik keek haar aan, maar ze zei niets.
“Je had iets voor me, zei je in de auto.”
“O, ja, stom van me. Door dat ellendige parkeren hier ben ik het bijna vergeten. We hebben een memory-stick gevonden. Het zou goed kunnen dat Wim’s wachtwoorden daarop staan.” Ze deed een graai in haar tasje en gaf me de stick.
“Dat zou best eens heel goed van pas kunnen komen.” zei ik terwijl ik hem in mijn zak stopte. “Tot nu toe weet ik natuurlijk bijna niets. En veel hulp hoef ik niet te verwachten, gezien je ervaringen met de ambassade.”

Truus had inlichtingen over haar broer gevraagd aan de ambassade, maar had slechts te horen gekregen dat niet gebleken was dat hij problemen had. Het laatste bericht dat ze van hem zelf kreeg, was alweer drie maanden oud. En inmiddels waren er al instanties aan haar aan het vragen of Wim Nederland “metterwoon” had verlaten. Het had haar ongerustheid aangewakkerd en ze had het moeilijk voor zich kunnen houden. Op kantoor had ze er met wat naaste collega‘s over gesproken en eentje had op mij gewezen. Blijkbaar straalde ik op het werk uit dat ik het niet helemaal naar mijn zin had. Het is een vaste baan en daar hoor je dankbaar voor te zijn en dat was ik natuurlijk ook.

Maar erg inspirerend is het niet om de godganse dag achter een balie te zitten en niets anders te doen dan mensen door te verwijzen. Het meest enerverende is nog wel dat ik soms naar de mensen van de bovenste verdiepingen moet bellen omdat er een klant voor ze is of dat er een pakketje is afgeleverd. Er zijn dagen bij dat er niemand aan mijn balie komt en dan duurt de dag wel erg lang.
En dus hoefde ik niet lang na te denken om wat te voelen voor het voorstel van Truus om op zoek te gaan naar haar broer. Vooral toen ze instemde met het maandsalaris dat ik voorstelde. De managers hadden ook alle begrip voor de situatie van Truus toen ik vroeg om een sabbatical dat één, maar ook twaalf maanden zou kunnen duren. Het is normaal een constructie waar ze nooit mee instemmen, maar nu bleek het geen probleem op te leveren.

Niemand is van mij afhankelijk en mijn familie vond het alleen maar spannend voor mij. Tekenend was natuurlijk wel weer dat niemand van de familie de moeite nam om me uit te zwaaien. Eigenlijk maar goed ook, nu had ik nog even de kans om wat meer informatie van Truus te krijgen. Maar behalve de stick kwam er verder niets. Ze keek somber voor zich uit. Normaal heeft ze altijd een gezellige, behoorlijke kleur op haar vlassige wangen, maar ze had nu een grauwe uitstraling.

Ik was haar zwijgende gezelschap een beetje zat aan het worden, sloeg mijn koffie naar binnen en zei haar dat ik ging kijken of ik nog meer informatie over Peru zou kunnen krijgen in de boekenwinkel in het tax-free gedeelte van Schiphol. We stonden allebei op en ze keek me met een omfloerste blik aan. “Doe alsjeblieft voorzichtig daar en houd me op de hoogte. Okay? Ik blijf hier nog even. Het is tijd om een hapje te eten. Terug rijden op een lege maag vind ik niet prettig.”

Ik knikte, pakte mijn rugzak en deed hem om. Ik gaf haar nog een hand en liep naar de trap naar de vertrekhal. Ik hoefde me niet om te draaien om te weten dat ze me nakeek van achter haar nog onaangeroerde koffie. Terwijl ik de trap af liep, keek ik even op mijn horloge. Bijna half één en mijn vliegtuig ging pas tien over twee. Alle plichtplegingen van paspoortcontrole en security zouden al aardig wat tijd vergen. Ik ging eerst maar eens door de paspoortcontrole, daarna zou ik me wel rustiger gaan voelen. In de vertrekhal zie je best veel verdriet, mensen die elkaar los moeten laten. En dan maar zwaaien totdat de persoon na de paspoortcontrole uit het zicht verdwenen is. Zakdoeken erbij en armen om de schouders van degene die acuut troost nodig heeft. Voor mij gold dat niet, hooguit Truus die vanachter een nieuwe koffie of iets eetbaars mij vanaf het restaurant zou kunnen zien lopen. Toen ik bijna bij de paspoortcontrole was, keek ik eens om. Het glas rondom het terras van het restaurant belemmerde me iets te zien.

De marechaussee in zijn hokje keek mij even doordringend aan, haalde mijn paspoort over een scanner en gaf hem toen aan mij terug. “Ook nog een fijne dag verder.” zei ik schamper. Hij knikte terwijl hij al naar de man achter me keek en maakte een vaag gebaar van dat ik moest doorlopen.
Ik kwam langs een rijtje rolstoelen die verankerd zaten aan de muur. Een oude man en een klein oud vrouwtje met een wandelstok zaten aan één van de sloten te rommelen. Ik wilde ze al gaan helpen, maar een juffrouw van de beveiliging was me voor.
“U had om een rolstoel moeten vragen bij het inchecken. Hier kan dat niet meer.” zei ze, terwijl ze zich al van hen wegdraaide.
“Hartelijk dank.” zei de man bitter, gaf de dame een arm en ze strompelden samen verder richting winkels. Ik besloot me er toch maar niet mee te bemoeien. In de boekenzaak was men gespecialiseerd in bestsellers, achter in de zaak waren wat boeken over reizen en verre landen, ze hadden zelfs wat boeken over Brazilië en Argentinië maar er was niets over Peru.

Ik besloot om even bij de koffie-corner te gaan zitten. Behoefte aan koffie had ik niet; ik wilde even kijken wat er op de stick stond. Dus pakte ik de laptop uit mijn rugzak, startte het ding en plaatste de stick aan de zijkant. Dit was mooi! Boekhouder als Wim Nelemans was, had hij alle wachtwoorden en gebruikersnamen van een stel sites op alfabetische volgorde op de stick staan. De meeste sites verbaasden me niet: Facebook, MySpace, wat dating-sites, ING , ENECO en dergelijke. Wat ik niet verwachtte was BloggersPlanet.com. Wim had dus een blog, ik hoopte dat dit mij een stuk verder zou helpen.

Eerst probeerde ik op Wim’s Facebook-pagina te komen. Dat was geen probleem dankzij het wachtwoord. Volgens Wim’s account was hij in een relatie. En ja, daar stond het plaatje van Rosita ook bij zijn familie. Een wel erg mooie meid als je bedacht hoe Wim eruit zag. Hij had wat je veel zag, zo’n open plek boven op zijn hoofd en dan kamde hij een lok van de zijkant eroverheen. Veel leek dat niet te helpen, je bleef door het dunne haar zien dat het daar kaal was. En er konden ook wel wat kilootjes af. En zij: wat een plaatje!

Even doorgeklikt naar haar pagina. Het stond er allemaal wel in het Spaans, maar het was niet erg moeilijk om te begrijpen dat ze had gestudeerd aan de universiteit van Lima. Wat ze had gestudeerd begreep ik niet helemaal en ook niet of ze afgestudeerd was. Wim stond niet vermeld bij de familie. Wel dat ze in een relatie was, maar niet met wie. En er stond keurig vermeld in welke plaats ze woonde:
Nazca in Peru. Nog nooit van gehoord, zou wel één of ander gat zijn.

Ik kon ook op Wim’s mail komen. Ik verwachtte in de inbox veel mail van Rosita, maar dat viel tegen. Blijkbaar deden ze meer met Skype. Ik las de laatste mailtjes van haar aan Wim: erg lief, ze keek uit naar het moment dat ze samen konden zijn. En ze waren al maanden oud. Misschien stond er meer in de Facebook-mail. Ik zou dat later wel bekijken. Tijd genoeg.
Eerst maar eens het vliegtuig ingaan.
Ik klapte de laptop dicht en liep richting gate en security. Op naar vlucht KL 0743. Er leek een keurige rij te zijn, maar dat bleek van dichtbij aardig tegen te vallen.

Er was het normale massale dringen dat je altijd van Nederlanders zag. Het verbaasde me steeds weer: ze hadden immers allemaal allang een boarding-ticket, wisten exact op welke plaats ze zouden zitten. In het buitenland deed ik altijd alsof ik uit een ander land kwam, er niet bij hoorde. En zo voelde het ook echt voor mij.


                                                      2

Ik hoefde niet ver het vliegtuig in te lopen; ik zat bijna vooraan en mijn rugzak ging soepeltjes in het bagagerek. Ik zat naast het raam en perste de laptop naast me op de grond. Het leek eerst of ik niemand naast me zou krijgen. Helaas stapte er vrij laat een heel erg dikke man in met twee plastic tassen van de tax-free shop. Hij had ook nog een vrij grote koffer op wieltjes bij zich. Ik vroeg me af of die niet in het bagageruim hoorde. Blijkbaar had hij toestemming en dus werden koffers en tassen steunend en kreunend naast zijn rugzak geperst. Maar goed dat ik de laptop er al uit had gehaald!

De man ging uiteindelijk naast me zitten en ik voelde zijn enorme zitvlak opdringerig tegen me aan duwen. De man bracht een zure zweetlucht voort en ik had moeite om me te beheersen, mijn neus niet dicht te knijpen. Dat gingen gezellige uren worden!
Ik had geluk: een stewardess kwam naar ons toe en vroeg of de man niet een paar rijen achter ons wilde zitten. Er waren plotseling twee plaatsen vrijgekomen en hij zou aldus meer ruimte kunnen krijgen. Ze knipoogde naar mij en ik kon een brede grijns niet onderdrukken. Ik keek eens achterom en ja, het vliegtuig zat lang niet helemaal vol.

Het ritueel van de koffer en de zakken werd nu andersom uitgevoerd. Het kreunen en steunen bleef het zelfde. Ik knikte de man vriendelijk toe toen hij me een goede vlucht wenste. Dat wenste ik hem natuurlijk ook!
In ieder geval kon ik nu mijn laptop naast me plaatsen. De stewardess kwam nog eens langs en zei zachtjes: “Ik had het idee dat het wat krap werd voor u.” Ze lachte en ik bedankte haar uit de grond van mijn hart.

Toen we waren opgestegen en de lampjes gedoofd waren, die van alles verbieden, startte ik de laptop weer op. Memory-stick erin en maar weer eens verder rondkijken in het leven van Wim. Veel kon ik niet beginnen, verder dan in zijn oude mail-berichten kon ik niet komen. Veel berichtjes van Rosita, er waren blijkbaar plannen voor een huwelijk. En nieuws over de ziekte van haar moeder, de behandeling in het ziekenhuis was te danken aan Wim. Er sprak veel dankbaarheid uit de mailtjes. Wat er aan mankeerde werd me niet duidelijk.
Het maakte me argwanend ten opzichte van Rosita, was ze steeds bezig geweest om Wim financieel uit te melken? Bestond die zieke moeder wel? Er waren geen foto’s aan de mails gekoppeld; waar moeder werd behandeld stond ook nergens. Misschien was dit ter sprake gekomen in hun chats? Maar zoiets deed je toch niet?
Wellicht dat ik op Facebook info zou kunnen vinden. Maar dat lukte me niet in het vliegtuig. En bij de blogs kon ik ook al niet komen.
Ik besloot om het verder maar voor gezien te houden en te doen wat de meeste passagiers deden: rondhangen, proberen wat te slapen en eten en drinken aannemen van de stewardessen.


                                                            3

Na een uiteindelijk rustige, zeg maar saaie vliegtocht, landden we op het vliegveld van Lima, Jorge Chavez International. Het was bijna half acht in de avond, twintig minuten vertraging voor zo’n lange trip is niet gek. Het vliegveld was veel moderner dan ik had verwacht, het zou een Europees vliegveld geweest kunnen zijn.
Ik hoopte dat de douane en de bagageband ook een beetje vlot zou gaan. Slapen in een lekker hotelbed leek me op dat moment een soort droom.  
De paspoortcontrole viel inderdaad wel mee. Mij werden wel wat vragen gesteld, eerst in een plaatselijk dialect leek mij. Het leek amper op Spaans. De stevig besnorde man in zijn vervaarlijke pak probeerde het daarna in een soort Engels. Dit werkte prima en ik kreeg wat stempels in mijn paspoort geramd en kon doorlopen.

De bagage was een ander verhaal. Er was wel een koffer-carroussel, maar er bleek iets mis mee te zijn. Een paar mannetjes stonden druk te overleggen, terwijl er eigenlijk niets gedaan werd. Uiteindelijk kwam er een andere man bij, in een overal met een hesje erover heen. Dit was duidelijk de technische man. Na een paar minuten had hij het ding aan de praat en niet veel later kwamen de eerste koffers naar binnen tuimelen. Natuurlijk was die van mij één van de laatste. Nou ja, hij was er gelukkig. Dit was eigenlijk mijn enige punt van ongerustheid geweest.

De douane hoefde gelukkig niet in mijn koffer te koekeloeren, scheelde ook weer in tijd. Ik dacht nog steeds met verlangen aan het hotelbed dat op me wachtte.
Ik begon in gestrekte pas richting uitgang te lopen, besefte dat dit wel wat opviel en matigde toen mijn tempo. De mensen schenen geen haast te hebben, behalve met praten. De mensen die met elkaar aan het overleggen waren, stonden hun woorden als met een mitrailleur op elkaar af te vuren. Mijn beetje Spaans zou me niet veel gaan helpen vreesde ik. Als die mensen hier een beetje op stoom waren, kon je ze echt niet verstaan.

Na de schuifdeuren vond ik de balie van Taxi Green. De prijs naar mijn hotel zou 45 Soles zijn volgens de lijst.

Buiten vond ik het niet koud, maar ik snapte wel dat iedereen een jas droeg. Het was net niet echt lekker. Mijn korte jack was geen overbodige luxe.
Ik hoefde gelukkig niet ver, zag een rij taxi’s vlak voor het gebouw staan. Een man, die vlak voor me liep, ging naar de voorste. Ik stevende op de volgende af en verwachtte een discussie over de prijs met de chauffeur met zijn plakharen.
“Hotel Mariel in Miraflores, por favor. Cuanto cuesta que?”
De boef vroeg 60 Soles. Ik begon te sputteren, wilde afdingen, maar ik maakte uit zijn woorden en drukke bewegingen op dat hij het niet voor minder zou doen. Als ik niet wilde, moest ik maar een ander nemen.
Ik voelde me aardig genomen, wilde dat ik gedaan had wat mij aangeraden werd. Altijd proberen dat het hotel je ophaalt. Nou ja, te laat voor dit soort overpeinzingen.

De rit was een behoorlijke openbaring voor me. Ik had het allemaal wat armoediger voorgesteld, maar Lima was gewoon een grote moderne wereldstad met veel hoogbouw.

We reden uiteindelijk, na een half uurtje, een drukke toeristische wijk in. Maar het hotel lag aan een rustige zijstraat. Toch kon je van daaruit heel gemakkelijk alle restaurants en clubs belopen, zag ik. Maar veel tijd daarvoor zou ik waarschijnlijk niet hebben. Ik was hier niet om de toerist uit te hangen.


                                                       4

Inmiddels voelde ik me alsof ik een soort wolk rondliep. Ik was zo vreselijk moe. Gelukkig was de receptie erg begripvol. Ik werd snel geholpen en was er niet rouwig om dat ik zelf mijn bagage naar mijn kamer moest brengen. Eindelijk rust, ik was zelfs te moe om mijn kamer goed te bekijken. Ik plofte alles neer toen ik binnen kwam en als in een soort droom kleedde ik me uit en schoof onder de heerlijk frisse lakens.

Toen ik wakker werd, had ik eerst geen idee waar ik was. Langzaam drong het allemaal tot me door. Ik stapte uit het bed en opende de gordijnen. Het was volop licht. Mijn horloge stond nog op Nederlandse tijd; ik deed de televisie aan en zag op een plaatselijke zender dat het half tien was.
Na een snelle douche en een graai in de koffer voor wat schone kleren, kleedde ik me aan. Ik besloot alles gewoon even te laten voor wat het was: eerst maar eens ontbijt zien te krijgen. Ik had een schreeuwende honger.

Aan de receptie vroeg ik of er nog ontbijt te krijgen was. Het was geen punt; de dame vroeg me wel om daarna even langs te komen met mijn paspoort om de registratie helemaal rond te maken.
Het ontbijt was prima en ik genoot van de verse vruchtensap en vooral van de koffie.

Bij de receptie vroeg ik me heel even af of ik al om informatie zou vragen over Wim Nelemans. Ik besloot het nog even niet te doen.
Wel vroeg ik naar het wachtwoord van de wifi van het hotel.
Zonder internet zou ik niets kunnen beginnen.

Ik keek op het naamplaatje van de dame die mijn gegevens aan het noteren was in het computersysteem van het hotel. Carmencita. Een behoorlijk stevige dame met een vriendelijke glimlach.


Die moest ik maar te vriend zien te maken. Ze lieten vast niet iedereen in het gastenboek van het hotel kijken.
Toen ze klaar was bedankte ik haar ietwat overdreven, maar ze kon het wel waarderen gezien haar brede glimlach.

Op mijn kamer pakte ik eerst mijn koffer uit en hing en legde alles in de kast. Daarna pakte ik mijn laptop en probeerde in te loggen op het internet van het hotel. Het was geen enkel probleem en in een ommezien was ik al door mijn mail aan het ploegen.
Mail van mijn familie, die mij een fijne vakantie toewensten. Ik had ze geen details gegeven over de redenen van deze reis.
Veel rommel dat ik allemaal zo weg kon klikken.
En een mail van Truus Nelemans:
“Hallo Jeroen! Ik hoor helemaal niks van je; ik dacht dat je me op de hoogte zou houden. Graag hoor ik zsm iets van je! Groeten, Truus.”

Ik had zo’n goed humeur, maar dit maakte me behoorlijk geirriteerd.
Kon ze echt niet bedenken dat je na zo’n lange vlucht gewoon gaat slapen? Ik besloot om dit soort mailtjes in de toekomst te voorkomen.
“Hallo Truus! Ik had een redelijk goede reis. Dankjewel. Ik wil in mijn eigen tempo en ongestoord speuren naar Wim. Als je het daar niet mee eens bent, moet je me dit maar even melden. In dat geval kom ik terug en moet je maar een ander zoeken voor deze klus. Groeten, Jeroen.”

                                                             5

De rest van de ochtend besteedde ik aan een wandeling in de buurt van het hotel. Zoals ik al gezien had, was dit een redelijk welvarend gedeelte van Lima. Alles behoorlijk modern en schoon.
Na een stevige lunch, wat ze hier een almuerzo noemen en een paar bakken koffie gedronken te hebben in een van de kleine restaurantjes in de buurt, ging ik maar weer eens op weg naar het hotel. De koffie viel behoorlijk tegen, slappe oplos-koffie. Ik had wel wat anders verwacht.

Inmiddels zou het ook in Nederland weer dag zijn. Het bleef toch lastig om steeds terug te rekenen. Truus zou na een nachtje slapen vast wel wat redelijker zijn.
Mijn vlieger ging prima op: toen ik op mijn kamer weer op internet inlogde kwam ik al snel een soort excuus-mail van haar tegen. Ze vroeg mij begrip, omdat de familie aardig in spanning zat. Wat ik belangrijker vond, was dat ze me beloofde niet meer zo te pressen. Ze zou proberen geduldig op mijn mail te wachten.
Ik mailde begripvol terug en beloofde haar zo gauw ik iets meer wist opnieuw te mailen.

Mijn eerste gang was naar de receptie. In het gastenboek zou ongetwijfeld iets van of over Wim te vinden zijn.
Carmencita had alweer dienst. Toen ik aan de balie kwam, vroeg ze me of alles naar wens was. Dat was het en ik kwam meteen ter zake. Legde haar uit dat ik op zoek was naar Wim Nelemans, omdat hij een paar maanden geleden verdwenen was. Het laatste wat we van hem wisten, was dat hij in dit hotel had gelogeerd.

Ik was blij dat ik mijn Spaanse woordenboekjes bij me had. Nu ik van de standaard praatjes was afgeweken bleek haar Engels toch niet zo briljant te zijn. Maar samen kwamen we er toch redelijk uit. In ieder geval leek ze me te begrijpen.
Ik keek haar eens goed in haar bruine ogen. Ze glimlachte nog steeds erg vriendelijk, maar zei me wel dat mijn verzoek erg ongebruikelijk was. Ze was niet helemaal zeker of ze mij wel gegevens uit het gastenboek mocht verstrekken. En ze kon het niet aan haar manager vragen. Deze was een paar dagen weg in verband met een sterfgeval in de familie.

Ik probeerde haar welwillender te maken door mijn portefeuille tevoorschijn te halen.
“Please don’t”, fluisterde ze terwijl ze wat schichtig om zich heen keek en dus stopte ik hem weer gauw weg.
“Can you write the name down for me, please..”, ze gaf me een pen en een vel papier.
Ik deed wat ze vroeg en gaf haar papier en pen terug.
Carmencita tikte de naam in op het toetsenbord.

Daarna draaide ze het scherm in mijn richting en wees op een regel die was verschenen: “Name unknown”. 


                                                               6

Ze had geen moeite om mijn Nederlandse vloek te begrijpen.
Maar ze glimlachte alleen maar bezwerend. Terwijl ik kalmeerde vertelde ze mij dat dit systeem nog maar twee maanden in werking was. Daarvoor gebruikten ze een vrij simpel boek om de gasten te registreren. Deze kreet in het systeem had geen enkele betekenis in het geval van Wim.

Uiteraard vroeg ik meteen naar dit gastenboek, maar al snel begreep ik dat het probleem nog steeds hetzelfde was. Alleen de manager kon bij het gastenboek komen en hij was dus niet beschikbaar.
Carmencita riep er iemand bij uit het kantoortje achter de receptie. In rap Spaans vroeg ze deze man – Jose volgens zijn naamplaatje – of de naam Wim Nelemans hem iets zei. Hij knikte en maakte een gebaar alsof hij zijn haar over zijn schedel verplaatste. Dat kon gewoon niet missen! Ik kon de rest van het verhaal niet goed volgen, maar Carmencita legde uit dat Jose zich inderdaad Wim kon herinneren. Hij had hier een tijd een kamer gehuurd, maar Jose wist verder niets te vertellen.

Ik vroeg nog naar Rosita Evarista, maar beide schudden het hoofd. Nog nooit van gehoord. Carmencita vroeg me even te wachten, ging naar het kantoortje en kwam terug met een soort telefoonboek. Er stonden een paar mensen in dit boek met deze naam. Ze bood aan om een kopietje van de bladzijde te maken en ik accepteerde dit gretig.

Gewapend met de kopie ging ik terug naar mijn kamer.
Daar belde ik naar de nummers op de bladzijde. Met behulp van mijn woordenboekjes vroeg ik naar Wim. Maar deze Rosita’s waren niet degeen die ik zocht. Oude dametjes namen op en een paar keer een man. Ik kwam hier geen spat mee verder. Ik zou helaas op de terugkeer van de manager moeten wachten.
Ik besloot hierna Truus te mailen om te laten zien dat ik niet stil had gezeten.

En toen was het wel tijd voor een gezonde maaltijd. Ik besloot om voor het gemak maar in het hotel te eten. Ik nam een ceviche, een must volgens mijn gidsje over Peru; het bleek een visgerecht dat mij heerlijk smaakte en dronk een Cristal pils erbij. Niet zo verrassend, iets anders had ik nog niet gezien.
Na de maaltijd besloot ik mijn laptop van mijn kamer te halen, ik wilde de avond gebruiken om wat meer over Wim te weten te komen.

Toen ik langs de receptie liep, zag ik dat Jose er stond. Hij wenkte mij en ik liep meteen naar hem toe. Misschien wist hij inmiddels meer?
Maar nee, op samenzweerderige toon vroeg hij mij of ik een “pretty girl for the night” wilde. Hij kon wel wat voor me regelen.
Ik voelde me behoorlijk geirriteerd, maar beheerste me. Misschien had ik de man later nog nodig. Je wist maar nooit.
En dus bedankte ik hem vriendelijk. Terwijl ik wegliep riep hij me na. Als ik wat wilde, wist ik waar ik hem kon vinden.

Gewapend met mijn laptop ging ik in de lounge zitten. Eerst de mail: berichtjes van mijn familie, wat commerciele rommel en een mailtje van Truus. Ze kwam met de suggestie om met wat bankbiljetten te zwaaien. Hoe ze het voor elkaar kreeg was onbegrijpelijk: elke keer kreeg ze me weer kwaad. Las ze mijn mail niet, of snapte ze het gewoon niet?
Ik besloot te wachten met reageren. Morgenochtend keek ik er vast wat geduldiger naar.

Eerst maar eens kijken of ik Wim wat beter kon leren kennen.
Nu had ik wel geluk. Ik vond een blog genaamd “Hoe ben ik de persoon geworden die ik ben.” Er stond een toelichting bij. Hij was eigenlijk bedoeld voor Rosita, maar hij had het te moeilijk gevonden om het in het Spaans of Engels te schrijven. “Maybe Google Translate can help us later” had hij er bij gezet.
Het was ingedeeld in een paar gedeelten, zag ik. “Leeuwarden”, “Utrecht” en “Toekomst”.

De ober stond voor me en ik bestelde nog maar een Cristal. Dat zou vast helpen als het te droog was.


                                                                          7    
                               

Volgens mij ben ik grotendeels gevormd door mijn eerste levensjaren en de plaats waar wij woonden heeft een grote rol gespeeld.
Van mijn eerste jaren in Leeuwarden weet ik niet zoveel. Van de periode daarna veel meer.
Het heeft me drie angsten opgeleverd. Wat de ergste of belangrijkste is, weet ik niet.

De Angst om hulpeloos alleen gelaten te worden is de eerste die ik wil noemen.

In mijn eerste jaren was ik veel ziek en om alles nog vervelender te maken, moest ik maanden doorbrengen in wat men een gipsen broek is gaan noemen. Waarschijnlijk was er iets fout met mijn bekken, denk ik.
Ik zat daarom vanaf mijn heupen tot halverwege mijn bovenbenen in het gips. Zelf opstaan kon ik niet, met alles moest ik geholpen worden.

Mijn ouders probeerden hun sociaal leven toch doorgang te laten vinden. Ze waren nogal dik met de buren en hadden regelmatig kaart-avondjes met die mensen. Soms was dat bij ons thuis, maar evenzo vaak bij die buren. Als ik dan ’s-nachts wakker werd en naar de wc moest, kon ik roepen wat ik wilde. Er verscheen niemand op de zolder waar mijn bed was neergezet. Zus Truus sliep op de eerste verdieping in de bedstee zodat mijn gehuil haar niet wakker zou houden.

Wanneer mijn ouders uren later thuiskwamen, werd er altijd wel even bij mij gekeken of alles in orde was. En dan kwam de kreet: “Ach nee toch, hij heeft weer in bed gepist!” Er werd me niets verweten, maar ik voelde het ongeduld tijdens het verschonen. Dat was nog erger tijdens de periode dat ik grieperig was. Ik kan me voorstellen dat het tamelijk ontnuchterend was om mij in mijn eigen braaksel aan te treffen.

Later werd mij een amusant verhaal verteld over mijn tijd als baby.
Het was gebruikelijk om kleintjes in de kinderwagen even buiten te zetten, om frisse lucht op te doen. Grappig was dat terwijl mijn moeder en de buurvrouw koffie dronken, het was begonnen te regenen. En dus moest haastje-repje de was worden binnengehaald. Toen daarna het tweede kopje koffie was ingeschonken, bedachten de dames dat de kinderwagen nog steeds buiten stond. Het was een aandoenlijk gezicht geweest hoe ik naar adem aan het happen was. Tijdens verjaardagen werd dat wel eens nagespeeld en dan was ik dus als een vis op het droge.

De angst voor andere kinderen is de volgende angst die ik wil noemen.
Het heeft mij niet bepaald een grenzeloos vertrouwen in andere mensen opgeleverd.

Omdat ik erg weinig lichaamsbeweging kreeg, was ik –toen ik eenmaal van die gipsen broek af was – een enigszins vadsig kind.
En het was niet meer dan logisch dat ik de bijnaam “Vette Papzak” kreeg. In onze buurt had iedereen die enigszins afweek van de norm een bijnaam. Die werd gebruikt om iemand uit te jouwen, zoals dat heette in die dagen. Dan liep er een stoet kinderen achter iemand aan, alsmaar de bijnaam scanderend: “Rooie! Rooie! Rooie!” Mijn vriendje had een lui oog en heette daarom de Schele.

Hij had geluk dat hij aardig hard kon lopen, ik had dat niet en werd daarom regelmatig door de buurtkinderen afgerost. Mijn ouders waren het snel zat dat ik telkens jankend thuis kwam. Vader vond de oplossing. Toen ik weer eens in tranen bij hen kwam, kreeg ik van hem een ongenadig pak slaag en de belofte dat dit elke keer zou gebeuren om de hoek. Truus bood enige bescherming. Zij stelde dat zij als enige echt recht had om mij te slaan: “Het is mijn broertje!”

Vader stelde me vaker

Ik had geen zin meer om verder te lezen. Wat een gezeur! Toen ik jong was, gingen we de polder in, bouwden hutten en deden wie het verste kon pissen.

Ik besloot de laptop maar even af te sluiten en een nieuwe Cristal te bestellen.
                       
                                                             

                                                             8

De Cristal smaakte net eender als alle vorige, maar het amusement smaakte niet echt naar meer en dreef me weg uit de lounge. Het hotel had gemeend een Elvis-imitator te moeten inhuren. Maar hij was droevig slecht en zijn Engels leek nergens op. Ik vermoedde dat hij de teksten van de liedjes niet eens kende en er maar wat van maakte. Zo was er “Return the Render” te horen wat ik niet anders ken dan als “Return to Sender” en meer van dat moois. De man leek zijn onkunde te compenseren met grappen en grollen, maar zijn Spaans was te gecompliceerd voor mij.

Ik gaf de barman een fooi en vroeg hem voor mij wat flesjes Cristal in een plastic tas te stoppen. Ik zou op mijn kamer wel wat ander vertier zoeken. Toen ik langs de receptie liep, zag ik dat Carmencita en Jose er weer stonden. Hij gaf me zo’n knipoog als van mannen onder elkaar. Ik deed net of ik het niet zag en liep naar de lift. Voordat ik de deuren kon sluiten, deed hij zijn voet tussen de deur. Hardop zei hij me dat de manager niets van zich had laten horen en fluisterde daarna weer over een jongedame die me zou kunnen vermaken.

Ik schudde verwoed mijn hoofd en hij knikte begrijpend terwijl hij zijn voet terugtrok. De man begon een beetje irritant te worden, was ik de enige bij wie hij dit probeerde? Het was gewoon een pooier, leek het.
Op mijn kamer zette ik de tv maar weer aan, telenovella’s en telenovella’s, praat-programma’s en CNN. Ik had er allemaal geen zin in. Dan maar weer een stukje over Wim lezen.

Vader stelde me vaker teleur.
Eens kreeg ik van Oom Jaap een prachtige oranje vlieger met een veelkleurige staart. Ik kon niet wachten met hem op te laten. Oom Jaap had er geen tijd voor, maar vader wel op zondag.
Hij hield hem vast en ik zou hollen, tegen de wind in. Het ging fantastisch, de vlieger vloog omhoog. Ik voelde het ding behoorlijk trekken, maar ik had het touw dubbel om mijn hand gewonden.
Vader kwam naast me staan. Het leek hem dat het te zwaar ging worden: keek eens hoe hard die wolken door de lucht geblazen worden! En dus moest hij het overnemen. En toen gebeurde het: hij liet het touw door zijn vingers glippen! Ik zag de vlieger van me wegvliegen en holde er achteraan. Maar dat was niet erg ver, het zwarte drabbige water van het Vliet, aan het eind van de straat hield me tegen. Als je in dat kanaal viel, zou je zeker verdrinken. En dus zag ik de vlieger verdwijnen achter de pakhuizen aan de overkant van het Vliet.

Teleurgesteld gingen we naar huis. “En?”, zei Moeder. “Hij liet hem glippen” zei Vader. “Ach, Jongen toch!”zei Moeder. En dat was het.
Weken later had Vader zelf een vlieger voor me gemaakt. Een lompe rode met een gele staart. Hij had geen tijd om te helpen met oplaten.
En dus vroeg ik de Schele. Er was iets mis met het ding, we kregen hem niet omhoog. Een paar andere jongens kwamen erbij staan en toen hij weer op de grond viel, schopten ze het vliegerpapier kapot.


Toen ik het Vader liet zien, haalde hij zijn schouders op. “Tja, dan maar niet. Ik blijf niet aan de gang!” De vlieger lag daarna een paar dagen in de tuin tot Vader de bamboestokken eraf haalde om wat planten in de tuin te kunnen stutten. Het rode papier belandde in de afvalbak.

                                                           9

Ik was het, na dit stuk, weer een beetje beu, dronk mijn Cristal op en ging maar naar bed. Veel trek om ergens een bar in te duiken had ik niet. Als je de taal niet goed kent, is het al lastig. Maar mensen met een glaasje op zijn op zich al moeilijk te verstaan in de eigen taal. Zonder iemand met een goede kennis van de taal waagde ik me er niet aan.

De volgende dag werd ik wakker met het gevoel dat ik uit een vervelende droom kwam. Ik kon me er verder niets van herinneren, maar het gaf me een kribbig gevoel. Mensen noemen dat altijd dat je met je verkeerde been uit bed stapt. Het was een raar gezegde als je er even over nadacht.

Na het ontbijt keek ik in de lounge of er mail was. Niet veel bijzonders deze keer op een mailtje na van een collega. Hij had beloofd me regelmatig te mailen, maar daar kwam niet veel van terecht. Maar nu was er toch eentje. Na wat nieuwtjes over collega’s (promotie, een ouder overleden, roddel over een kantoor-liefde) kwam hij met het verhaal dat Truus op het werk rondbazuinde dat ik aan het vakantie vieren was op haar kosten. Ik kon een vloek niet onderdrukken en had daarna gauw genoeg van het lezen op de laptop.

Chagrijnig verliet ik het hotel voor een wandeling en belandde weer in het restaurantje waar ik al eerder koffie dronk. Terwijl ik de slappe bak Americana dronk, werd ik wat rustiger en zakte mijn ergernis. Ergens had Truus natuurlijk wel gelijk, veel bereikte ik niet op het moment. Dat ik daar niets aan kon, maakte haar uiteraard niet veel uit. Zouden er dingen zijn die ik kon doen, zonder dat ik de gegevens van de manager had? Ik kwam maar tot een ding.

Jose had “the girl for the night” natuurlijk ook aan Wim aangeboden, dat kon niet missen. Wim die dus moederziel alleen in een hotel in den vreemde aan het wachten was op zijn verloofde. Was Wim een trouw type, of misschien een beetje “ondeugend”? Stel dat Wim van haar diensten gebruik had gemaakt, misschien dat hij haar wel iets verteld had over zijn plannen. Sommige mannen schijnen hun hele leven op te lepelen aan een prostituee.

Ja, dat kon ik doen. Ik moest het maar doen en Jose opdracht geven om haar te laten komen. Het idee trok me niet bijster aan, maar dan deed ik in ieder geval iets voor de centen van Truus. Vastberaden gooide ik de koffie door mijn keel, rekende af en ging terug naar het hotel. Ik zou het Jose meteen vragen als ik hem zag.
Bij binnenkomst in het hotel zag ik alleen Carmencita. Ik kon het toch niet laten om te vragen of ze iets wist over de manager. Helaas nog steeds niet, ze schudde meewarig haar hoofd.


Ik besloot om maar weer met mijn laptop in de lounge te gaan zitten, in afwachting van Jose.


                                                         10

Ik had nog maar net Wim’s Leeuwarden aangeklikt toen de ober voor me stond. Of ik weer een Cristal wilde? Het was dezelfde man als gisteren en hij stond met een brede grijns voor mijn neus. Het was me nog veel te vroeg voor bier en dus bestelde ik maar een koffie met een sandwich. Hij knikte en liep weg om mijn bestelling door te geven.

Water
Water is mijn hele jeugd mijn meest gevreesde vijand geweest.

Ik heb het Vliet al genoemd. Het drabbige donkere water lag als een duistere hellemond aan het einde van de straat. Ik had de wetenschap dat als je er in viel er geen redden aan was. Het water lag zo’n meter of vier onder straatniveau te stinken. De walkant was opgetrokken uit bakstenen die tot waar het water kon reiken een kleur had gekregen die geen kunstschilder zou kunnen benaderen.

Ik had op straat gehoord dat er eens een voddenman met zijn trekhond en voddenkar in gegleden was tijdens een glibberige winterdag. Ze waren jammerlijk verdronken. In nachten met volle maan zou hij soms over de kade komen spoken met zijn hond. En die hond jankte dan in de richting van de maan.

Ik weet nog heel goed wat een verdriet Truus had toen haar schoolvriendinnetje er in was terecht gekomen. Zij was blijkbaar onder haar fiets in het water beland en werd pas de volgende dag gevonden. Het verhaal over haar begrafenis had grote indruk op me gemaakt.

Geen wonder dus dat ik nooit in die richting de straat uit sjeesde met mijn step. 
De step was het beste wat mijn ouders mij konden geven. Ik kon hiermee mijn belagers wel van mij afschudden. Zittend op het ding zag ik kans om een behoorlijke vaart te ontwikkelen, zodat ik uit handen van mijn beulen kon blijven. 
Die beulen hadden toch nog wel plezier om mij, maar dat had weer met ander water te maken.

Zoals veel kinderen had ik een grote hekel aan het wassen van mijn haren door mijn moeder. Het ontaardde altijd in een grote strijd waar ik me uit worstelde door uit de tobbe te springen en er vandoor te gaan. Moeder had een soort waterboarding uitgevonden wat me keer op keer in grote paniek bracht. De oplossing leek gevonden door de buurvrouw in te schakelen. Het leek er op dat dit de gewenste oplossing bood. De tobbe stond op de eettafel. Buurvrouw hield me er in vast terwijl Moeder met de groene zeep aan de gang ging.

Door mijn prikkende ogen kon ik de neuzen van de buurtkinderen tegen het raam gedrukt zien. Moeder gaf me een doekje voor mijn ogen en kwam met een kan water boven mijn hoofd. Met de moed der wanhoop worstelde ik me uit de greep van de buurvrouw en sprong uit de tobbe en van de tafel. Vanachter het raam klonken bemoedigende kreten. Maar ver weg kon ik niet komen en ze grepen me meteen weer.
“Ga daar eens weg en ga spelen!” riep Moeder, terwijl ze me weer in de tobbe duwden.
“We hebben er eerlijk voor betaald!” klonk het terug. En warempel: ik kon Truus bij het tuinhek zien staan. Ze hief entree, later hoorde ik dat mijn ellende een stuiver waard was.


Ik keek op. De ober had de koffie en de sandwich achter mijn laptop gezet en liep net weg. “Muchas gracias!” riep ik hem na.

                                                 11     



Ik las verder, een verhaal over zwemlessen. Een badmeester met een stok met een haak die Wim van de kant duwde als hij niet meer verder kon en uit het water wilde. Een film van Bert Haanstra kwam in mijn brein opzetten. Een bibberend jongetje op de kant en dan die akelige man met die metalen stem. Mijn ogen vlogen vluchtig over de woorden, ik was meer bezig met mijn idee om Jose naar die dame te vragen. Zo nu en dan keek ik in de richting van de balie, maar er was nog steeds geen Jose te bekennen.

Dan maar weer verder lezen:
Het ging over zijn ervaringen op school. Veel gepest en onzeker in alles. Geen wonder dat het niet goed ging. Wim moest nog bijna de 6e klas overdoen voordat hij naar de ambachtsschool kon. En ook het zoeken naar een baan ging niet echt lekker. Na een jaar eindelijk een baan in de schoenenzaak van Van Haaren op de Nieuwstad. Ik was er nog nooit geweest, maar Van Haaren’s had je overal. Een echt degelijke zaak.

Oh, wat haatte ik het daar. De stinkende paskousjes en het op en neer klimmen op die wankele ladder. “Heeft u hem ook in maat 38?”
En dan vond je ze, bracht ze naar zo’n mens en dan: “Ik zou ze toch liever in lichtbruin hebben. Heeft u die ook?” Kon je weer die ladder op! Na een dag werken had je stinkende zweetvoet-handen. Zelfs op mijn vrije zondagen hing die zweet-sok-lucht om me heen.
Ik was zo blij toen Oom Jaap mij aanraadde om Praktijkdiploma Boekhouden te halen. Dat ging best goed, ik deed gelijk M.B.A er achteraan. Eindelijk kon ik iets wel goed. En met deze diploma’s kon ik op zoek naar een andere baan.

Ik keek op en jawel, Jose was gearriveerd. Ik sloeg mijn laptop dicht, nam hem onder mijn arm en ging naar de balie toen Carmencita druk in gesprek was met een andere gast. Ik boog me een beetje over de balie en hij kwam dichterbij met zijn hoofd.
“About the pretty girl…”, fluisterde ik.
“Come along”, Jose onderbrak me meteen. Hij zwaaide met een pakje sigaretten in de richting van Carmencita. Zij zag het en onder het praten door, knikte ze kort naar Jose. Ik volgde hem naar buiten, waar hij een sigaret opstak en wat nummers intoetste op zijn mobiel. Ik had er spijt van om zonder mijn jack buiten te staan; het was toch wel wat fris.
Jose sprak rap en onverstaanbaar voor mij. Op een gegeven moment liet hij het mobieltje zakken en wendde zich tot mij.
“Ten o’clock okay for you?” Ik knikte en hij ging weer verder op zijn mobiel. Hij stak de sigaret in zijn mond en stak met zijn nu vrije hand zijn duim op. Ik herhaalde zijn gebaar, mimede “Gracias” en ging naar binnen.


Het was nog maar net 5 uur. Ik had alle tijd om iets buiten het hotel te doen. Dus bracht ik eerst mijn laptop naar mijn kamer en haalde mijn jas. Het zou lekker zijn om ergens in een restaurantje iets te eten. Wat dat betreft was er genoeg hier in de buurt.


                                                             12

Ik deed het rustig aan: eerst maakte ik een wandeling door de buurt, dronk maar weer een slappe bak koffie in een klein cafe en eindigde in een leuk restaurantje, waar ik lomo saltado at. Chinees, maar dan op zijn Peruaans. Het was echt lekker! Uiteindelijk moest ik me nog haasten om op tijd terug te zijn in mijn hotelkamer. Ik keek expres niet in de richting van de balie, ik had echt geen zin in die mannen-onder-
elkaar gebaren van Jose.

Het werd 10 uur, maar er kwam niemand opdagen; ik wachtte 5 minuten: nog niks. Om 10 over 10 voelde ik me een beetje opgelucht. Ze kwam vast niet meer en ik was er niet rouwig om. Eigenlijk had ik een beetje spijt van deze afspraak. Ik wilde me al gereed maken om beneden in de lounge een Cristal te gaan drinken.
Een bescheiden drietal klopjes op de deur maakte daar een eind aan. Ik opende de deur en daar stond een jongedame waar ik moeilijk de leeftijd van kon schatten. Van 16 tot 26, volgens mij kon het allebei. Ik hoopte maar dat ze dichter bij het laatste zou zijn. Om een legitimatie vragen leek me wat krom in deze situatie.

Ik liet haar snel binnen en ze zei terwijl ze haar jas uitdeed: “Me Angela”.
“Me Jeroen”, antwoordde ik. Ze legde haar jas en haar tasje op een van de stoelen in de kamer, schopte haar schoenen uit en trok haar top en haar spijkerbroek uit. Alles werd keurig op een stapeltje gelegd en daar stond ze dan in haar bloemetjessetje. Koket draaide ze zichzelf een keertje om.
“Te gusta?” vroeg ze me. Ik knikte, ik vond het er erg prettig uitzien. Ze draaide nog eens in de rondte om mij goed te overtuigen. Voor de zekerheid knikte ik nog eens en zei “Me gusta!”

Ze ging voor me staan, deed de riem van mijn spijkerbroek los en worstelde daarna met de bovenste knoop. Ik hielp en ze knikte goedkeurend. De rits was gemakkelijker en nu kon ze mij uit mijn broek helpen. Met mijn schoenen aan was dat toch wat lastig en ze bukte zich om die los te krijgen en uit te krijgen. Ze gaf me daarbij een goed inzicht in wat er in haar behaatje zat. Toen schoenen en broek uit waren, hielp ze me ook uit mijn herenslip.

Ik zag mezelf in de spiegel: man van middelbare leeftijd met alleen een geruit overhemd aan. Het deed me heel even denken aan zo’n Amerikaanse reality-serie. In zo’n situatie komt de FBI binnenvallen en wordt de man geboeid meegenomen, met van die blokjes over indiscrete delen van het plaatje. Ik schudde de gedachte van me af.
“Come Jerome!” giechelde Angela en ze nam me bij de hand. Ze was duidelijk kind aan huis in het hotel: we liepen rechtstreeks de badkamer in, naar de wasbak.

Angela voelde aan het water uit de kraan. Op een gegeven moment was het goed, trok ze me naar voren, nam een handvol vloeibare zeep uit het pompje en begon mijn handel te wassen. Het gebeurde grondig en nam aardig wat tijd in beslag. Ik snapte dat wel; het was weliswaar mijn eerste keer met een professionele dame, maar ik schatte in dat dit standaard was.
Op een gegeven moment was ik wel heel erg klaar voor verdere actie. Ik wilde dit kenbaar maken, maar wat zeg je dan in het Spaans. Verder dan wat raar gekreun kwam ik niet. Ze giechelde en nam nog een extra handvol met zeep. Ook de andere hand ging nu meedoen en dat was me net even teveel!

“Come Jerome!” grinnikte ze en maakte alles – inclusief wasbak – weer schoon. Ik droogde me af en liep de slaapkamer in naar mijn spijkerbroek. Ik pakte mijn portemonnee terwijl zij me volgde.
“Not again?”, vroeg Angela. Ik schudde mijn hoofd en gaf haar twee briefjes van 100 soles.
“Gracias”, zei ze met een brede glimlach en stopte de briefjes in haar tasje. Ik herinnerde mij het eigenlijke doel van dit bezoek en pakte een foto van Wim van mijn nachttafel. Ik vroeg haar of ze deze man, Wim of Guillaume kende. Ze stopte even met aankleden en keek naar de foto. Angela verzekerde me dat ik haar eerste Nederlander was en deed haar top en haar jas aan. Alweer geen succes dus.

Bij de deur draaide ze zich nog even om. “Manana?”, vroeg ze.
Ik schudde mijn hoofd, “No, gracias”.
Ze lachte nog eens lief naar me, bracht twee vingers naar haar lippen en maakte een klein kusgebaar. De vingers zwaaiden in mijn richting en ze liep richting lift.
Ik keek de gang in: er was verder niemand te zien en ik sloot de deur.


Zin om naar beneden te gaan had ik niet meer. Ik pakte een flesje Cristal uit de minibar en zette de televisie aan.


                                                             13

Mijn nacht was onrustig: ik had een paar dromen waaruit ik wakker schrok. In een van de dromen werd ik door de politie opgepakt en in een cel gesmeten. Mijn ondervrager sprak een onduidelijke taal, ik had geen idee wat hij me vroeg en kon dus niet antwoorden. En dan kwam er een andere ondervrager bij die meer vragen had en almaar luider naar me schreeuwde. De droom was logisch, in de kamer naast mij hadden twee mensen duidelijk ruzie. Maar het werd gesust en toen alles weer rustig was, sliep ik weer in.

De volgende ochtend had ik wat hoofdpijn en nam wat paracetamol mee naar het ontbijt. Mijn houten hoofd was mijn eigen schuld: ik had alle bier uit de minibar opgedronken. Maar na twee bakken Americana en twee tabletjes voelde ik me alweer een stuk beter.
Na mijn ontbijt besloot ik eerst maar eens op mijn kamer te kijken of ik mail had. Toen ik langs de receptie liep, werd ik gewenkt door Carmencita. Ze wist me te vertellen dat de manager had gebeld om te vertellen dat hij morgen weer op het werk zou verschijnen.

Dat was prima nieuws! Het hele gedoe met de escort-girl was dus helemaal niet nodig geweest. Ik had er toch geen spijt van, het was alweer heel lang geleden dat ik samen met een vrouw was. Na mijn scheiding, een paar jaar terug, had ik het wel even gehad met relaties. En iemand voor een vluchtig avontuurtje was ik niet.
Het gebeuren stelde natuurlijk helemaal niets voor, maar het voordeel was wel dat ik geen angst hoefde te hebben voor enge ziektes.

Ik besloot Truus nog niets te vertellen over de manager. Dat zou ik wel doen nadat ik hem gesproken had. Op die manier kon ik ook beter verkopen dat ik geld aan die Angela had moeten betalen.
Er was geen enkele mail. In een kort mailtje vertelde ik Truus dat ik ten einde raad informatie had gevraagd aan de hotel-prostituee. Met alleen maar wachten schoten we niet op. Mannen willen nog wel eens van alles aan dat soort dames vertellen. En wie weet was Wim klant geweest. Helaas wist deze dame me niets te vertellen, maar het had me wel geld gekost.  

Het kamermeisje klopte op de deur, wilde gaan schoonmaken. Ik besloot met de laptop en een koffie in de lounge te gaan zitten en verder te lezen in Wim’s blog.

Het vinden van een andere baan bleek nog niet zo eenvoudig. Mijn huidige baan was niet bepaald een aanbeveling om ergens als boekhouder te worden geaccepteerd. Daar kwam nog eens bij dat ik was afgekeurd voor militaire dienst wegens een ruis in mijn hart. Bij sollicitatiegesprekken kwam het steeds ter sprake. Het was een pre om in dienst te zijn geweest.
De maanden gingen voorbij zonder dat ik een spat verder kwam.
Ik had een soort duw in de rug nodig. Die kwam, maar wel op een heel onprettige, dramatische manier. Na een vreselijke gebeurtenis voelde ik me gedwongen om Leeuwarden te verlaten.
Ik besloot naar Amersfoort te verhuizen: een niet te grote stad die lekker centraal lag. Hilversum was ook een mogelijkheid geweest, maar ik wilde niet in dezelfde plaats als mijn zus wonen.

Geluk en ongeluk liggen vlakbij elkaar: toen ik op het kantoor van makelaar Cranenborgh en Lelieveld het huren van een appartement besprak, kwam mijn beroep ter sprake. Het bleek dat er met dringende spoed een boekhouder nodig was wegens het aanstaand vertrek van de oudste medewerker. En zo kwam het dat ik tijdens het onderhoud naast de formulieren van het huurcontract ook sollicitatieformulieren invulde.


Ik ging terug naar mijn mail: Truus had hem nog niet gelezen en ik vulde hem aan met de vraag waarom Wim Leeuwarden moest verlaten. Wat was er gebeurd?



                                                            14


Na een lange wandeling in de buurt, ik had zelfs een parkje ontdekt, besloot ik weer in hetzelfde restaurant te eten. Ik had kip in een soort witte saus, Aji de Gallina. Was best lekker, zoiets zou je zelf ook wel kunnen maken. Weer eens iets anders.
Ik had er twee Cristal bij gedronken en voelde me in een opperbeste stemming.

Dat veranderde toen ik in het hotel mijn mail ging lezen: het eerste wat ik zag was een tirade van Truus. Ze was niet van plan om mijn behoefte om naar de hoeren te gaan te betalen. Het was een erg boos mailtje! Ik besloot het uitvoerig nogmaals uit te leggen. Het ging immers niet om mijn behoefte, maar om een mogelijke behoefte die Wim destijds had. En ik benadrukte nogmaals dat ik even geen enkele andere mogelijkheid had om naar informatie te zoeken.
Ik eindigde het mailtje met nog eens te vragen naar de reden van Wim’s vertrek uit Leeuwarden.

De rest van mijn mail was niet bijster interessant, meer spam dan echte berichten. Ik nestelde me maar weer in de lounge met de laptop en een Cristal. De avond kon ik weer vullen met het lezen van de blog van Wim.

Amersfoort was bijna als een warm bad voor me. Nooit meer hoefde ik te luisteren naar de wijze woorden van mijn ouders: “Beeld je maar niks in; je bent niet meer dan een ordinaire schoenenverkoper.” Ik kreeg waarderende woorden van mijn chefs voor de wijze waarop de boekhouding bijhield en zelfs het systeem wat verbeterde. Mijn dialect bleek wel een handicap; voorlopig bleef ik toch een soort buitenlandse logee. Maar omdat ik gewaardeerd werd, zat ik daar niet mee. Soms kon ik in mijn dromen de geur van zweetvoeten ruiken. Nog steeds rook ik soms aan mijn handen, moest ik die vieze geur wegwassen? Het was niet meer nodig! Zelfs de dromen begonnen te verdwijnen.

In de eerste vakantie die ik kreeg terwijl ik in Amersfoort woonde, ging ik naar Duitsland. In Kleef was een zwembad waar ze in vrij warm water en met zeer geduldige zweminstructeurs mensen met watervrees leerden zwemmen. Na een paar weken was ik inderdaad zover dat ik met gemak een paar baantjes kon zwemmen. Het was heel gek, maar ik voelde me hierna een veel completer mens.

Hierna kabbelde mijn leven door. Soms ging ik naar Leeuwarden, mijn ouders bezoeken. En dan was het heerlijk om daarna weer terug in Amersfoort te zijn. Het was fijn om te beseffen wat ik had achtergelaten.

Het was wel weer genoeg voor vandaag. Ik besloot nog een laatste Cristal te nemen en het dan voor gezien te houden.

Morgen zou ik eindelijk weer wat verder kunnen, althans dat hoopte ik.  


                                                            15

De volgende dag stond hij er echt: de manager. Het was een ietwat gedrongen, kalende man van om en nabij 50 jaar. Ik besloot eerst te ontbijten, maar meteen daarna liep ik naar de balie. A.Bilardo stond er op zijn naamplaatje. Hij was druk aan het praten in zijn mobiele telefoon. Hij keek me vragend aan, ik glimlachte en probeerde met een gebaar aan te geven dat ik wel even kon wachten. Hij knikte en gebaarde dat het niet lang zou duren. Carmencita stond even verderop iemand te helpen en glimlachte toen ze me zag.

Mijnheer Bilardo liet me inderdaad niet lang wachten. Hij bedankte me eerst voor mijn geduld en vroeg toen wat hij voor me kon doen. Ik vertelde hem wie ik was en wilde al beginnen over Wim toen hij mij het zwijgen oplegde. Carmencita had hem alles al verteld en natuurlijk stond het hotel klaar om mij te helpen.
“Please follow me mister Musters”, zei hij en hij kwam achter de balie vandaan.

Hij bracht me naar een deur, schuin achter de balie en opende die deur met een van de sleutels van zijn imposante bos. Achter de deur bleek een miniem kantoortje te zitten, waarin precies een bureau, een stoel en een kast pasten. Op het bureau lag een stapel boekwerken.
Mijnheer Bilardo legde uit dat deze boeken de registratie van hotelgasten van de laatste anderhalf jaar bevatten. Hij had er zelf geen tijd voor, maar ik was van harte welkom om naar de registratie en uitschrijving van Wim Nelemans te zoeken.

Gelukkig hoefde ik niet alle boeken door. Ik wist precies wanneer Wim was aangekomen en zocht naar het boek van die periode, zo’n zes maanden terug. Het was een koud kunstje om de aankomst te vinden. Het kamernummer stond er achter, zonder verdere bijzonderheden behalve zijn nationaliteit. Het vertrek van Wim was wat lastiger, bladzij na bladzij liep ik door.
Uiteindelijk bleek Wim na iets meer dan 3 weken te zijn uitgeboekt. Hij had in het boek een adres laten zetten waarheen eventuele post moest worden gezonden: Hotel Kunan Wasi, Calle Arica 419, Nazca, Ica.

In een laatje van het bureau vond ik wat pennen en een blocnote. De derde pen, die ik probeerde, deed het en ik schreef het adres over.
Na de boeken weer op een keurige stapel te hebben gelegd, verliet ik het kantoortje. Ik besloot raad te gaan vragen aan de balie.
De manager liet mij op een kaart zien waar Wim naar toe was gegaan. Het was zo’n beetje aan de andere kant van het land!
Wat nu? De heer Bilardo liep naar de computer achter de balie en ging voor me op zoek.

Ik bleek een paar keuzes te hebben:
-         Vliegen naar Pisco en vandaar met een taxi naar Nazca reizen; dit zou zo’n $ 300 tot $ 350 gaan kosten, inclusief taxi’s;
-         Met de bus van Lima naar Nazca, wat maar 90 flores zou kosten, maar meer dan 7,5 uur zou duren, Bilardo trok er een vies gezicht bij; ik kon me een voorstelling maken van een overvolle bus, die zich schokkend over de slechte wegen voortbewoog;
-         Hij kon zijn werkloze neef vragen me er naar toe te brengen. Voor 200 flores zou hij dat vast wel willen doen en het zou vast iets sneller kunnen dan die 7,5 uur.

Ik schreef de mogelijkheden op, zonder overleg met Truus kon ik niet beslissen. Eigenlijk wist ik het al, de mogelijkheid van de neef leek me perfect. Voor de vorm ging ik haar in een mail naar haar mening vragen, maar ik vroeg intussen mijnheer Bilardo om contact met zijn neef op te nemen.
In mijn kamer controleerde ik de mail: er was niets. In korte bewoordingen beschreef ik mijn bevindingen en de keus die ik had.

De telefoon ging: Ernesto Bilardo die met me wilde afspreken.  


                                                        16

Ernesto Bilardo leek in niets op zijn oom. Hij was vrij lang en had een tanige kop met vrij lang bijna zwart haar. Hij zou een statige man zijn geweest als hij niet enigszins krom liep, zijn hoofd een beetje tussen zijn schouders. Met zijn opvallende gekromde neus deed hij mij een beetje denken aan oude sepia foto’s van Indianen-opperhoofden als Sitting Bull.

Hij was erg beleefd, bedankte al voor het contact opnemen via zijn oom Arturo. Na het uitwisselen van wat meer beleefdheden besloot ik ter zake te komen. Ik vroeg hem wat hij mij zou vragen voor een rit naar Nazca. Ernesto begon over de Nazca Lines en hoe hij mij rond zou kunnen leiden, zelfs een vliegtuigtochtje erover kon regelen. Dat was helemaal mijn bedoeling niet en hij keek me teleurgesteld aan.
Ik vroeg hem nog maar een keer wat hij mij zou vragen om me naar het hotel in Nazca te brengen. En wat hij zou vragen als ik hem vroeg om me terug te brengen.

Voor het rijden er naar toe en het weer ophalen zou me 200 flores kosten per rit, die zo’n 6 tot 7 uur zou duren. En ik zou het eten voor onderweg moeten kopen en eventuele tol betalen. Ik opende mijn mond al om akkoord te gaan, toen hij met nog iets kwam: het betalen van een grote beurt voor de auto. De weg leidt door een woestijn en je kan beter geen panne krijgen.
Volgens Ernesto zou dit niet meer dan 50 flores gaan kosten; een vriend van hem deed het voor dit vriendenprijsje.
“Nog meer wensen?” vroeg ik lachend. Hij schudde zijn hoofd.

Ik wilde eerst wel eens zien waarin ik meer dan 6 uur zou moeten zitten. Hij nodigde me uit om mee naar buiten te lopen. De auto stond in de straat, vlakbij het hotel. Het bleek een oude Ford Escort te zijn, volgens Ernesto was hij niet kapot te krijgen en ging hij zonder enige aarzeling de rit maken. Hij had een paar maanden ervoor nog wat mensen weggebracht naar Nazca. Ik vroeg even door, maar het bleek niet om Wim te gaan.

Na enig nadenken besloot ik om met hem in zee te gaan. Per slot van rekening was dit een vertrouwd persoon, met iemand anders zou ik het niet durven. En die bus trok me ook niet erg aan.
Ik gaf Ernesto een voorschot van 75 flores voor de beurt en voor benzine en we schudden elkaar nog eens de hand ter bezegeling van de deal. Hij zou de auto helemaal laten nakijken en meteen daarna weer contact opnemen. Dat zou al binnen een paar dagen zijn. Toeterend reed hij weg en liep ik terug naar het hotel. Bang dat ik dat geld kwijt was, was ik niet: ik kon het altijd nog inhouden op de rekening van het hotel. Oom Arturo zou dan de rest moeten betalen.

Ik besloot in het hotel te blijven eten. Eerst regelde ik met Arturo Bilardo dat ik zonder problemen kon uitboeken wanneer dat mij uitkwam. Zodra de auto klaar zou zijn, wilde ik op weg. Ik had al lang genoeg hier rond gehangen.
Het diner was wat doorsnee vergeleken met de vorige avonden. Biefstuk, frieten en een salade naar eigen keus uit de salade-bar.
Erna haalde ik mijn laptop maar weer naar de lounge en keek of ik mail had.

Een mail van Truus: natuurlijk moest ik de bus nemen! Ze zag geen enkele reden waarom ik dat niet zou doen.
Een beetje geirriteerd vroeg ik haar of ze enig idee had van de omstandigheden hier en vertelde dat ik inmiddels vervoer per auto had geregeld.

Ik vroeg haar nog maar een keer waarom Wim Leeuwarden meende te moeten verlaten. Ze was mijn vraag waarschijnlijk vergeten?


                                                              17

Ernesto belde me de volgende ochtend terwijl ik nog in bed lag. Hij had er vaart achter gezet; de auto zou aan het eind van de middag al rijklaar zijn. Dat was fantastisch! We zouden morgen al kunnen vertrekken. We spraken af dat ik om een uur of 8 klaar zou staan, gepakt en al. Ik moest dat nog even bevestigen, omdat ik zeker wilde zijn van een plek in het Kunan Wasi hotel in Nazca. Vandaar kon ik mijn speurwerk gemakkelijk voortzetten. Ik noteerde zijn telefoonnummer en zocht naar het nummer van het hotel in Nazca.

Alles verliep verbazingwekkend voortvarend, je zou er bijna achterdochtig van worden! Ik kon een kamer aan de rustige kant van het hotel krijgen, aan de voorzijde was vrij veel verkeer volgens de medewerker van het hotel. Uiteraard zat er een kostenplaatje aan vast, maar dat kon me niet veel schelen: ik had mijn nachtrust nodig.
Daarna kon ik Ernesto vertellen dat onze afspraak stond. Hij zou om 7 uur in het hotel komen en we zouden na een ontbijt vertrekken.

Ik was overeengekomen dat ik voor eten en drinken zou zorgen en dus kocht ik in een supermarkt in de buurt een cool-box, blikjes drinken en sandwiches in plastic. IJsblokjes konden we onderweg wel kopen bij een benzinestation.

’s-Avonds besloot ik weer in het hotel te eten en redelijk vroeg te gaan slapen. De maaltijd was alweer wat doorsnee, maar met een Cristal redelijk weg te spoelen. Erna liep ik naar de balie om alvast uit te boeken en een ontbijt voor twee personen om 7 uur klaar te zetten.
Helaas moest ik dit doen met Jose. Op zich was hij niet vervelend, maar aan het eind van ons gesprek kon hij het toch niet laten om te vragen of alles naar wens, naar verwachting was geweest en begeleidde dit met een ranzige knipoog. Ik deed net of ik het niet zag, terwijl ik mijn creditcard terug stopte in mijn portemonnee.

Tenslotte vroeg ik om om half 7 gewekt te worden en ging naar mijn kamer. Ik zwierf langs alle kanalen op de televisie en vond een voetbalwedstrijd. Het ging er hard aan toe, spelers lagen geregeld op de grasmat te kronkelen van de pijn. Bijna evenzovele keren stonden ze als een mirakel ook weer op om gewoon verder te spelen. Op een keer na: de speler leek een open beenbreuk te hebben en zijn gegil ging door merg en been.

Ik schakelde door naar een telenovella. Een dame lag wellustig in de armen van een adonis met opgepompte spiermassa’s. Ik trok een blikje Budweiser van onze voorraad open en probeerde het verhaal te volgen. Blijkbaar waren er meerdere verhaallijnen en ik snapte er geen snars van. Toen ik het zat was, besloot ik te gaan slapen.

Ik had die dag geen enkele keer op mijn laptop gekeken. 


                                                               18

Na een nacht vol dromen over auto’s waarin ik verongelukte, werd ik verlost van mijn onrustige slaap door het telefoontje van de receptie. Ik bedankte voor het wekken en gooide mijn spullen in de koffer. Binnen vijf minuten was ik klaar, op mijn tandenborstel en deo na.
Douchen en tandenpoetsen duurt bij mij ook nooit lang. Gewoontegetrouw liep ik alle laatjes nog even na en keek ook nog onder het bed. Oei, bijna was ik het snoer van mijn laptop vergeten.

Beneden rekende ik af bij de receptie, terwijl ik vanuit mijn ooghoek Ernesto zag binnenkomen. Ik had goed gegokt: hij had nog niets gegeten deze ochtend. In de eetzaal was een tafel voor twee gedekt. Ernesto zat behoorlijk wat naar binnen te werken, het was duidelijk een luxe voor hem om zo onthaald te worden op de vroege ochtend. Veel zeiden we niet; de auto was volgens hem nu in prima staat, we zouden geen problemen krijgen op onze tocht naar Nazca.

Ernesto hielp me alles in de auto te krijgen. De koelbox kreeg een plekje tussen de achterbank en de versnellingspook. Bij het eerste het beste benzinestation haalde ik een zak ijsblokjes en terwijl we al weer verder reden verdeelde ik de blokjes, flesjes, zakjes en blikjes zo goed mogelijk. Het duurde nog vrij lang om Lima uit te komen; het verkeer was vrij chaotisch en Ernesto moest erg alert blijven om er heelhuids door te komen. Maar na iets meer dan een uur werd het wat rustiger. Omdat het erg stil in de auto bleef, probeerde ik de radio aan te zetten. Ernesto schudde zijn hoofd en meldde dat hij kapot was. Er was niet voldoende tijd geweest om er een andere in te zetten.

Op een gegeven moment was ik de stilte een beetje beu. En ik zei er daarom ook wat van. We konden moeilijk een uur of zes, zeven zo stil naast elkaar blijven zitten!
Hij was het gelukkig met me eens en we besloten om elkaar in het kort over ons leven te vertellen.

Ernesto bleek werkloos te zijn geraakt toen de meubelmakerij waar hij werkte, besloot om 17 van de 92 werknemers te ontslaan. Omdat hij een van de jongsten was, was hij een van de mensen die de sigaar waren. Dat was ruim een jaar geleden gebeurd en sindsdien was hij op zoek geweest naar een baan. Verder dan klusjes zoals dit, waren er niet te vinden. Zonder het beetje loon dat zijn vrouw als schoonmaakster verdiende zou het erg moeilijk worden voor hun drietjes.

Hij had gebeden tot de Heilige Maagd en ik was als een soort verlosser opgedoken. Het was zijn bedoeling om in Nazca werk te gaan zoeken als gids en chauffeur. Door het toerisme daar was er veel werk bijgekomen in dat soort beroepen en in hotels. Hij wilde als hij iets had gevonden zijn gezin laten overkomen. Zij zou vast wel iets kunnen vinden in een van de hotels. In Nazca zou een nieuwe toekomst voor hen zijn.

Ik voelde me niet bepaald gezonden door een god of zo en legde hem uit hoe ik tegen onze ontmoeting aan keek.
De mensheid is als een oceaan en wij zijn allemaal niet meer dan druppels in deze immense massa. Soms zullen we in het aller diepste, aller donkerste zijn, maar het kan ook gebeuren dat je bovenin een golf terechtkomt. En wie weet waar je dan kan eindigen. De mogelijkheden zijn net zo groot als de oceaan zelf.

Hij vroeg mij wat mij hier zo gebracht had. Ik vertelde hem over mijn huwelijk dat zo’n tien jaar geleden gestrand was en mijn niet erg interessante baan. Mijn collega Truus had me met haar verzoek uiteindelijk hier gebracht.

Terwijl het landschap geleidelijk veranderde, veranderde ons gesprek in het vertellen van jeugdverhalen en anekdotes uit de tijd dat we met onze vrienden uitgingen. Het verkeer werd spaarzaam en Ernesto moest nu opletten of er geen koeien, schapen, lama’s of kinderen op de weg zaten, lagen of speelden. Zo nu en dan kwamen we door dorpen en kleine steden waar het soms ook wat lastig was door het chaotische weggedrag van de bewoners.
Maar hij stuurde ons geroutineerd langs alle mogelijke wegversperringen van die aard. Mijn taak was om ons zo nu en dan van drinken en eten te voorzien uit de koelbox.

Toen we nog zo’n honderd kilometer van Nazca af waren, hadden we een incident. De motor dreigde oververhit te worden. Ernesto zette de verwarming op maximum en met alle ramen open reden we naar het volgende benzinestation. We vulden het water aan van het koelsysteem, vulden de tank weer vol met benzine en vervingen het water in de koelbox door nieuwe ijsklontjes.

In Nazca moesten we nog eens vragen naar het hotel, maar toen reden we er rechtstreeks en zonder enige verdere problemen naar toe.
Het Kunan Wasi Hotel in Nazca zag er van buiten erg modern uit. Ernesto bracht mijn bagage voor me naar de receptie, we spraken af dat als ik vervoer nodig zou hebben, ik hem zou bellen en geen taxi.

Hij zou een paar dagen bij een vriend logeren en zou dus die tijd beschikbaar zijn.


                                                              19

Bij de receptie besloot ik bij het inchecken om meteen maar naar de manager te vragen. De enigszins loensende dame achter de balie met de mooie naam Mariana ging even naar achteren, naar het kantoortje en kwam terug met de heer Sanchez. Ik legde hem in het kort uit dat ik op zoek was naar Wim Nelemans die in zijn hotel zou hebben gelogeerd. Mariana had meegeluisterd en reageerde op mijn verhaal. Zij herinnerde zich Wim nog wel; ze maakte een gebaar alsof ze haar van de ene kant naar de andere verplaatste. Onbedoeld moest ik even lachen, maar het kon niet missen. De manager vroeg mij om me maar eerst even in te kwartieren en dan terug te komen. Hij zou de boeken van de gastenregistratie klaarleggen over de laatste maanden. Ik kon het toch niet laten om nog een vraag te stellen aan beide: “Kenden ze misschien Rosita Everista, de verloofde van Wim Nelemans?”

De manager schudde zijn hoofd, maar Mariana leek alweer redding te kunnen brengen. Zij woonde in een dorp in de buurt en haar huisarts had een assistente van die naam. De naam Evarista kwam vrij veel voor in de regio, maar het zou maar zo kunnen dat ik naar haar zocht. Ze zou de volgende dag wel navraag voor mij kunnen doen. Het leek bijna te gek hoe alles opeens mee leek te gaan zitten. Maar je wist natuurlijk nooit wat voor tegenvallers er op de loer konden liggen.

Mijn kamer keek uit over een parkeerterrein, maar dat kon me niet zoveel schelen. Alles zag er keurig netjes uit, met een behoorlijk moderne badkamer. Het enige wat tegenviel was de Wifi. Ik wilde mijn mail lezen, dat was hoog tijd, maar de verbinding was veel te slecht. Uit ervaring wist ik dat de beste verbinding in de lounge te vinden was en besloot mijn laptop mee te nemen naar de receptie. Daar aangekomen legde Mariana me een opengeslagen boekwerk voor de neus. De manager of zij had de datum al voor opgezocht, evenals de datum van zijn vertrek uit het hotel, een paar dagen later. En dat was dus al maanden geleden en deze keer was er geen doorzendadres! Het leek erop dat ik weer terug was naar “Af”. Mijn enige kans was Mariana. Ik schreef de data bij de rest van mijn aantekeningen.

Ik bedankte de receptioniste, schoof haar een bankbiljet toe onder het boek. Ze gaf me een hele brede glimlach; ze zag er toch wel leuk uit met haar ravenzwarte haar. Er waren nog wat uurtjes voor het diner over en ik klapte in de lounge mijn laptop open. Ik had het goed ingeschat, hier kon ik wel bij mijn email komen. Er was een mail van Truus, een gescand krantenartikel. Een grote foto van een brug met een aantal mensen erop. De gezichten waren onherkenbaar gemaakt. Het artikel had in chocoladeletters: “Omstanders kijken toe hoe jongen (11) verdrinkt.” Het bleek te gaan om een jongen die aan het stunten was op de brug; hij liep aan de verkeerde kant van de leuning en was uitgegleden. En niemand was er achteraan gesprongen. Op de foto was volgens Truus ook Wim te zien. Volgens hem zou iedereen hem kunnen herkennen op die foto. Dit was de reden dat hij zich verschrikkelijk voelde in Leeuwarden en snel weg wilde.

Ik kon niet laten om meteen te reageren: “De verslaggever/fotograaf deed ook niets!” Echt opvallend dat er boven het bericht stond: “Van onze verslaggever”.
 Verder vertelde ik haar in het kort dat ik nu in Nazca was en een beetje was opgeschoten in mijn speurtocht. Ik trad verder niet in bijzonderheden.
Truus reageerde meteen: dat was nog eens goed nieuws! Ze had al een tijdje niets gehoord en hoopte op zoiets. En over die verslaggever/ fotograaf had volgens haar niemand nagedacht. Eigenlijk maakte dit het bericht nog absurder.


Ik liet het hier maar bij en controleerde de rest van mijn berichten. Veel bijzonders zat er niet bij en omdat het allemaal zo lang duurde wegens de slechte kwaliteit van de Wifi, was ik het snel zat en sloot de laptop. Ik bracht hem naar mijn kamer en besloot de buurt te gaan verkennen. De stad leek me niet erg groot, zo te zien kon je bijna alles belopen. Er was een straat een paar blokken verder met bijna alleen maar bars en restaurants. Ik besloot in eentje te gaan eten en gokte op een gerecht met cuy. Er stond een plaatje op de menukaart en het zag er wel smakelijk uit. Een Amerikaans stel dat even verderop zat, zat besmuikt te lachen toen de ober wegliep. Ik dacht eerst dat ik er gek uit zag en controleerde mijn uiterlijk op de wc. Er was niks geks te zien, maar op de terugtocht naar mijn tafeltje hielden ze me aan. Ik had gebakken cavia besteld.


Manmoedig at ik alles op en deed alsof het de gewoonste zaak van de wereld was om troeteldieren op te eten. Uiteraard was het hier ook het geval; niet voor niets heten ze ook wel Guinese biggetjes. De naam zegt genoeg. En met een Cristal spoel je bijna alles weg.
In het hotel besloot ik om de blijdschap van Truus enigszins te temperen. Als Mariana met niets kwam over Rosita Evarista, was het gewoon helemaal afgelopen. Ik had inmiddels wel wat verder nagedacht: het was vreemd dat Wim geen doorzendadres had opgegeven. Dat deed hij bij het vorige hotel wel. Ik mailde Truus in het kort over mijn ervaringen bij de receptie en het ontbreken van een volgend adres.  

Daarna besloot ik om wat in de bar van het hotel te gaan rondhangen. De lange autorit was toch vermoeiend geweest, dat voelde ik nu wel. Het opstaan was ook aan de vroege kant geweest. Daarom zou ik een paar biertjes drinken en dan een heerlijke lange nacht slapen. Zittend aan de bar overzag ik het gezelschap en vond het maar een halfdood clubje bij elkaar. De muziek was ook niet erg opwekkend; het was waarschijnlijk bedoeld als een soort lounge-muziek, maar het was een soort zouteloze lift-muziek: bekende liedjes waar men de kraak en smaak uit verwijderd had.

Ik raakte met de vrij jeugdige barman in gesprek, vroeg hem of hij elke avond deze muziek moest aanhoren. Hij moest lachen, volgens hem hoor je dat op een gegeven moment gewoon niet meer. Het is niet meer dan behang en daar zit je toch ook niet steeds naar te kijken? Hij zou ook wel wat anders willen, maar dit was zo geregeld door het management. Als hij zelf wat anders wilde op zijn vrije avond, dan ging hij de stad in naar een van de bars hier in de buurt. Ik vroeg hem wat hij iemand als mij zou aanraden als ik een avondje wat meer vertier wilde. Hij zei me dat hij buitenlanders altijd een klein cafe aanraadde: Mariposa. Niet ver van het hotel weg en toch was je daar onder de Peruanen.


Ik controleerde nog een keer mijn mail: Truus was inderdaad wat teleurgesteld, maar verzekerde mij dat ze de moed er inhield en zeer waardeerde wat ik deed. Met die positieve uitspraak als laatste ervaring besloot ik te gaan slapen.    

                                                         20

De volgende dag realiseerde ik me dat ik vandaag waarschijnlijk niets nieuws te horen zou krijgen. Mariana had een vrije dag; ik kon alleen maar hopen dat ze haar belofte zou nakomen. Ik had dus niets te doen vandaag en besloot om vandaag maar eens de toerist uit te gaan hangen. Het leek wel alsof Ernesto op mijn telefoontje zat te wachten! Hij antwoordde meteen en op mijn vraag of hij mij naar de Nazca Lines kon brengen, zei hij: “Ik kom eraan!”

Ik sprak in de auto eerst een prijs met hem af voor wat hij vandaag met mij zou doen. We waren het snel eens. Hij had er duidelijk al werk van gemaakt en bracht mij naar een prima plek. Ik kon vanaf daar een beetje neerkijken op de Lines. Echt ongelooflijk dat dit eeuwenoud zou moeten zijn. Ik moest onwillekeurig denken aan het befaamde boek van de Zwitserse schrijver Erich von Daniken, “Waren de Goden Kosmonauten?” De tekeningen doen zo modern aan qua stijl.

Ernesto had nog iets in petto. Hij bleek een zitplaats voor mij gereserveerd te hebben in een klein vliegtuigje dat vluchten over het gebied maakt en je in staat stelt om mooie foto’s te maken. Het was een Cessna waarin zes personen konden plaatsnemen. De piloot bleek inderdaad alles te doen voor het maken van de foto’s. Het leek meer op stuntvliegen dan op een toeristische vlucht. Ik kan wel wat hebben, maar vier van de anderen moesten overgeven toen ze uitstapten. De piloot grijnsde gemeen, volgens mij deed hij het meer voor dit effect dan voor de foto’s.


Mijn nieuwbakken gids liet me nog wat meer mooie plekken in de omgeving van Nazca zien en bracht me aan het eind van deze prima dag terug naar het hotel. Ik was al aan het nadenken waar ik vanavond zou eten, maar liep voor de zekerheid toch even naar de receptie. Op mijn vraag of er nog boodschappen voor mij waren achtergelaten, antwoordde de manager ontkennend. Maar er zat volgens hem wel iemand op mij te wachten in de lounge. Hij wees naar een stoel verderop en ik zag de achterzijde van het hoofd van een vrouw. Ik liep naar haar toe en toen ik bij de stoel was aanbeland, zag ik het meteen: Rosita Everista!  


Ze was nog mooier dan wat ik op de foto’s op Facebook had gezien. Jammer van het huilerige gezichtje en het duffe mantelpakje, anders was het een perfect plaatje geweest. Ze had meteen in de gaten dat ik degeen was die ze verwachtte, want ze stond direct op toen ik naast haar stond. We stelden ons aan elkaar voor en ik bood aan om eerst wat te drinken te halen. Ze wilde graag thee en ik besloot om maar een Cristal te nemen, want ik had dorst gekregen.

Toen ik met de drankjes terug kwam, stak ze meteen van wal. Mariana was naar de praktijk gekomen en had haar verteld dat ik naar haar zocht in verband met Wim. Meteen kwamen er tranen aan zetten en ze stopte even, snoot haar neus en zuchtte eens diep. Ik bood aan om ons gesprek voort te zetten onder een etentje, maar daar wilde ze niets van weten. Haar moeder zat op haar te wachten, maar ze wilde toch eerst meer van mij horen over Wim.

Ik vertelde haar dat Wim in Peru was verdwenen, hij was nooit naar Nederland teruggevlogen. De familie had mij ingehuurd om te zoeken. Rosita vertelde over haar laatste telefoongesprekje met Wim. Ze zou hem die avond komen bezoeken in het hotel, maar moest alweer afzeggen. Haar moeder was destijds goed aan het herstellen van de operatie, maar was die dag in de keuken komen te vallen. Omdat ze eigenlijk alleen Rosita vertrouwde, had ze maar toegestemd om die dag voor haar te zorgen. Volgens moeder was ze er even slecht aan toe en had haar echt heel erg nodig.

Wim was erg teleurgesteld geweest en kortaf. “I’m going!”, had hij gezegd en had het gesprek afgebroken. De volgende dag beantwoordde hij haar telefoontjes en SMS’jes niet en Rosita had gedacht dat hij heel erg boos was en had gewacht tot de woede wat zou zakken. Maar de dag erop kwam er nog steeds geen reactie, net als de volgende dag. Toen was ze naar het hotel gekomen, maar Wim had zijn kamer opgezegd. Ze had toen gedacht dat hij boos naar Nederland terug was gegaan.

Ze begon weer te huilen en ik wachtte tot ze enigszins bedaarde. Ik stelde voor om morgen samen naar aanwijzingen te gaan zoeken waar hij was gebleven. Vandaag was het toch niet meer mogelijk om dat te gaan doen. Ze kon maar beter naar haar moeder gaan. Ze ging weg met de belofte dat ze zou proberen om de volgende dag ‘s-middags vrij te krijgen. Ze zou ook regelen dat haar moeder haar niet nodig zou hebben. Per slot van rekening waren er immers nog twee zussen, die konden heus ook wel wat doen.

Toen ze wegging kon er al een flauw lachje vanaf. 


                                                               21

Rosita hield zich aan haar belofte en kwam naar me toe terwijl ik de laatste happen van mijn lunch naar binnen aan het werken was. Het mantelpakje was niet verdwenen, maar het huilerige gezicht wel.
Ik had zelf niet helemaal stil gezeten: ’s-avonds had ik tijdens het eten aan het bedienend personeel gevraagd waar je het beste naar toe kon als je wat anders wilde meemaken dan het hotel-entertainment. Bij het brengen van het voorgerecht en het toetje kreeg ik te horen dat de Mariposa-bar wel leuk was, er waren geregeld lokale bandjes te bewonderen. De jongen die me mijn hoofdgerecht serveerde noemde een hele rits namen, maar ook hij noemde Mariposa.

Ik vertelde Rosita dat ik van mening was dat Wim wat anders bedoeld had, dan wat zij ervan had gemaakt. Hij wilde gewoon uitgaan, was het hotel beu geweest. Ik kon het me levendig voorstellen.
Hij had waarschijnlijk net als ik om uitgaans-tips gevraagd. De Mariposa was mij al eerder aangeraden en dus stelde ik haar voor om gewapend met een foto van Wim daar eens een kijkje te gaan nemen.

De tent bleek twee straten verderop te zitten. Op een van de ramen zaten wat posters over optredens. Hij was wel open, maar erg druk was het niet op dit uur van de dag. Ik zag drie mannen aan de bar zitten; de barkeeper knikte me vriendelijk toe. Terwijl Rosita plaatsnam aan een van de tafeltjes, vroeg ik wat ze wilde drinken. Ze wilde koffie en ik liep naar de bar om twee koffie te bestellen.

Toen de barkeeper de koffie voor me neerzette, liet ik hem de foto van Wim zien en vroeg of hij deze man hier wel eens had gezien. Een van de klanten keek nieuwsgierig mee en wees op de foto: “Hee, is…” De barkeeper keek hem aan en kneep zijn ogen een beetje dicht, waarop de man verder zweeg. “Nee, nooit eerder gezien!”, zei de barman en ik wist gewoon zeker dat hij loog. Zin in problemen had ik niet, daarom voegde ik me maar weer met de koffie bij Rosita. Vanuit mijn ooghoek zag ik de mannen samen smoezen.

Rosita had het tafereeltje gevolgd en ik maakte mijn gevoelens duidelijk. We werden keihard belogen!
Tranen sprongen in haar ogen en terwijl ze overeind kwam, gooide ze bijna ons tafeltje omver. Ze liep naar de bar en begon half huilend tegen de barman te schreeuwen. Ik verstond er niets van, maar zag wel dat de man een halve beroerte kreeg. Hier was hij niet op bedacht en de klanten aan de bar begonnen zich er ook mee te bemoeien.

Uiteindelijk kwam ze toch weer terug, veegde de tranen uit haar ogen en snoot haar neus. Ik zag de barman intussen telefoneren. Rosita kon me vertellen dat de barman zo bij ons zou komen om wat te vertellen. Eerst wilde hij vervanging hebben voor het werk.
De vervanging kwam na een kwartiertje al aanzetten. Het leek me zijn vrouw, maar veel affectie toonde hij niet.

Hij kwam meteen naar ons toe en ging zitten. Ik had de foto van Wim expres op het tafeltje laten liggen. Hij keek er eens naar en stak toen van wal. Hij zou het hele verhaal vertellen, maar wilde van ons eerst de belofte dat we niet naar de politie zouden gaan. Ik vond dat maar raar en vond dat we dat niet konden beloven. De man zei toen dat hij ons kon bezweren dat er geen misdrijf was gepleegd. Konden we het dan wel beloven? Rosita en ik keken elkaar kort aan en knikten toen tegelijkertijd.


“Waar is hij?”, vroeg Rosita, “Ik houd van hem en we zouden gaan trouwen.” De barman slikte een keer en zei toen zacht: “Hij is dood.” Ik kon een vloek niet onderdrukken en Rosita begon te huilen. “ Het was een ongeluk,” voegde hij toe. Gelukkig kon ik haar weer stil krijgen, want ik wilde wel wat meer te weten komen. En misschien klopte het niet eens wat de man zei. Ik vroeg hem te vertellen wat er gebeurd was. Hij wilde van ons dat we eerst zouden zweren om niet naar de politie te gaan. Hij zweeg totdat we dit deden en stak toen van wal.

                                 22

Ik begreep het volgende:
Wim, die hier de bijnaam “the lonely Dutch” ofwel “el solitario Holandés” had gekregen, kwam in het begin van een middag weer eens binnen lopen. Hij deed altijd hetzelfde, bestelde een biertje en zat dan maar een beetje om zich heen te kijken. Er was wel eens iemand geweest die probeerde om een gesprek aan te knopen, maar daar scheen hij nooit trek in te hebben.

Het was erg rustig geweest in de Mariposa, drie man aan de bar die er bijna woonden en Loco Paco. Paco werkte in de sierra op een alpaca-fokkerij; de man werkte zo’n zes maanden achtereen en kreeg dan een paar weken verlof. Een groot deel van zijn salaris werd hier in de kroeg omgezet in drank, in pisco. Hij sloeg altijd de ene na de andere borrel achterover, soms afgewisseld met een biertje.

Als de barman vond dat het genoeg was geweest, werd een volgende bestelling van hem geweigerd. Paco werd dan vervelend totdat hij of wegging, of met zachte dwang naar buiten werd gewerkt. Soms liep hij dan met een mes te zwaaien, maar niemand die daarvan onder de indruk was. Die dag ging het een beetje anders.

Paco was weer kwaad geworden en de stamgasten hadden er grote pret over. Een van die mannen heeft een grote bos krullen op zijn hoofd. Paco was op hem afgestormd onder het roepen van kreten: “Vieze alpaca met je stomme kop; ik ga je scheren!” Ook dit tafereel hadden we eerder meegemaakt; niemand die er zich druk over maakte. Wim had het natuurlijk nooit eerder gezien en hij was overeind gekomen en had geprobeerd Paco te stoppen. Het ging echter helemaal verkeerd en hij was recht in het mes van de gek gelopen.
Het was een ongeluk, een fataal ongeluk. Wim was bijna op slag dood geweest.

De barman en zijn gasten hadden maar heel kort hoeven overleggen. Ze wilden geen politie erbij, die fascisten hadden zo hun methodes om je bijna van alles te laten bekennen. De kroeg zou maanden gesloten zijn geweest en alle gasten verdachten. Daarom werd Loco Paco weggestuurd en bezworen om nooit meer terug te komen. Wim zou vast door niemand worden gemist: ze zouden hem laten verdwijnen.
De zakken van Wim werden geleegd en zijn hotelsleutel was snel gevonden.

Die nacht werd Wim door de bevriende nachtportier uitgeboekt, zijn koffer werd meegenomen en Wim was met alles op zak in de bergen ten zuiden van de stad gedumpt. Inmiddels was het maanden geleden dat dit gedaan was, dus zou er niet zo erg veel van Wim over zijn. De barman wilde ons best naar hem toe brengen, maar hij wees ons er nog maar eens op dat we hadden gezworen dat we de politie er niet bij zouden halen.

Als we een auto bij ons hadden, konden we nu wel naar die plek gaan. Rosita vertelde dat ze haar auto bij het hotel had staan. We kwamen overeen dat we de auto zouden halen en dan de bergen in zouden gaan. We hadden volgens hem geen klimspullen nodig, er liep een pad naar die plek. Hij liet ons nog even wachten voordat we de kroeg uitliepen, liep naar achteren en kwam terug met een grote koffer met een kleinere erbovenop. Dit moest dus de bagage van Wim zijn; ik zou later wel eens kijken wat erin zat. We gingen eerst terug naar het hotel lopen, de koffers op mijn kamer zetten en de auto halen. 


                              23

De auto van Rosita bleek een oude Fiat Panda te zijn. Hij had wat roestplekken, maar hij startte prima. Het ritje naar de Mariposa stelde natuurlijk niets voor. Toen we wilden uitstappen, liep de barman naar ons toe. Hij had blijkbaar buiten op ons staan wachten. Hij wees naar een oude pick-up en zei tegen ons dat we hem maar moesten volgen. Hij reed de stad uit over de Panamericana-Sur.

Na een minuut of tien gaf de barman signalen dat hij rechts wilde afslaan. Er was geen enkel zicht op een zijweg, maar het bleek dat hij ons wilde duidelijk maken dat we van de weg af zouden gaan. Hij reed een zanderige plek naast de weg op en wij zetten onze auto erachter. We kregen een korte uitleg: er was een pad zichtbaar, dat vrij stijl omhoog ging. Volgens de man moesten we dit volgen en dan zouden we Wim vanzelf vinden. Hij bezwoer ons nogmaals de politie er niet bij te halen. Ik zei hem dat als er inderdaad geen misdaad in het spel was, het ook niet in mijn belang zou zijn. Politieonderzoek zou de afhandeling maanden gaan ophouden. Hij knikte, stapte weer in zijn auto en reed weg. Het was wel duidelijk dat hij er verder zo weinig mogelijk mee te maken wilde hebben.  

Wij keken elkaar eens aan en liepen zonder iets te zeggen in de gewezen richting. Rosita droeg geen hakjes, maar op haar schoentjes bleek het toch lastig om omhoog te komen. Ik moest haar zo’n beetje omhoog trekken. Bovenaan de heuvel hadden we een prachtig uitzicht over de Panamerican en de stad. Het pad leidde ons nog iets verder omhoog, maar het ging hier iets geleidelijker. Zo nu en dan moest ik een struik opzij duwen om het Rosita wat gemakkelijker te maken.

Op een gegeven moment maakte het pad een bocht om een stijl gedeelte heen en daarachter zag het er opeens heel anders uit. Er was vrij veel groen vergeleken bij wat er naast het begin van het pad groeide en ik zag ook al heel snel waarom. Er liep een lieflijk klein beekje, dat met een soort slingerbocht aan de andere kant van het stijle stuk uit het oog verdween. Naast het beekje was een rijke begroeiing en dat maakte het pad bijna onzichtbaar. Een beetje moeizaam gingen we verder totdat ik weer eens een bloeiende struik opzij moest duwen.

Er was wat hoog gras en bijna helemaal onzichtbaar zag ik wat liggen. Een leren jas, een vergane broek, schoenen die hun kleur hadden verloren en erin wat volgens mij een vergaan lijk moest zijn. Ik raadde Rosita af om te kijken, hoewel er eigenlijk niet veel te zien was. Maar dit moest dus Wim zijn. Ik overzag het complete beeld nog eens: als het een levend persoon was geweest, dat daar lag, dan had ik gezworen dat het iemand was die daar in slaap was gevallen. Het was op die manier een vredig tafereeltje.

Rosita hield zich kranig en nam zelfs het voortouw. We zouden iemand moeten bellen zoals een begrafenisondernemer. Ze had het nummer van de huisartsenpraktijk waar ze werkte in haar mobieltje staan. Ze zou daar naar toe bellen en een telefoonnummer vragen aan haar collega. Helaas zat het weer niet mee, we hadden hier geen bereik en moesten wel terug naar de auto. Daarna ging het redelijk snel, het nummer werd snel doorgegeven en Rosita belde nog een keer. Daarna begon een ongemakkelijk wachten, even onderbroken door een kleine bespiegeling van haar: “Je zou zweren dat hij daar een hartaanval heeft gekregen.” Ik reageerde met een vraag: “Wist je dat hij echt al eens een aanval heeft gehad?” Ze knikte, dat had hij haar inderdaad verteld.


Eindelijk, na bijna een half uur, kwam een ambulance aanrijden. Dat was prima, maar niet dat er een politiewagen achteraan kwam.


                                                               24

Een van de mannen uit de ambulance kwam naar ons toe en zei tegen Rosita dat het hem enorm speet, maar dat het bedrijf zich nu eenmaal aan de wet moest houden. Er was nog geen doktersverklaring en dus moest er politie bij komen. We knikten, we begrepen het. De andere man haalde een brancard uit de auto en zette hem ernaast.

Inmiddels was de politie ook uitgestapt. Het waren twee mannen met een soort honkbalpetjes op, zoals ik ze inmiddels al vaker in Peru had gezien. Ze hielden duidelijk niet van treuzelen, lieten hun identiteitsbewijzen heel even zien, zonder dat we ze konden lezen. In de gauwigheid had ik wel gezien dat de eerste een Capitan was en de ander een Teniente. De Teniente droeg zo’n foute spiegelende zonnebril zoals je die wel eens in Amerikaanse series of films ziet en had een camera om zijn nek.

Voordat ze ook maar iets hadden kunnen zeggen, begon Rosita weer onbedaarlijk te huilen en dus werd het woord maar tot mij gericht. Ik legde de boel kort uit:
Rosita was de verloofde van de dode man die we net vonden. Ze hadden maanden geleden ruzie tijdens een telefoongesprek. Hij zei aan het eind “Goodbye!” en ze had echt gedacht dat hij naar Nederland terug was gegaan. Ikzelf was door de familie gevraagd om naar Wim te zoeken toen hij maanden niets meer van zich had laten horen. Inmiddels had het hotel hem uitgeboekt en zijn spullen opgeslagen.  
De politiemannen knikten, dat leek hen wel logisch. De Capitan spuugde een fluim van zich af. Ik dacht dat dit uit minachting was, maar toen hij zijn mond opendeed om wat te zeggen, zag ik dat hij pruimde. Hoe we op het idee waren gekomen om hier te gaan zoeken, vroegen ze zich af. Ik legde uit dat ik tips had gekregen van het hotelpersoneel dat er hier een heel mooi pad liep. Je kon hier je auto vrij gemakkelijk naast de weg parkeren, eigenlijk was dit de eerste plek waar dat goed mogelijk is. Ik zag ze denken: klopte dit wel? Snel ging ik verder met mijn relaas en vertelde dat het echt heel mooi is als je eenmaal boven bent.

Ik bood aan om voorop te gaan en stelde voor om Rosita maar in de auto te laten zitten. Ze huilde nog steeds en het was toch al best moeilijk om op het pad te komen. De Capitan spuugde nog eens flink en knikte. Ik klauterde omhoog, met een hele optocht achter me aan. Eerst de Capitan, dan de Teniente en tenslotte de ambulance-bemanning met een brancard tussen zich in. Ik zag een van hun omhoog gaan en daarna de brancard aannemen van zijn collega, die daarna volgde.

Wim lag er nog steeds zeer vredig bij naast het kabbelende beekje; de Teniente zette zijn bril op zijn pet en maakte wat foto’s. Intussen legde ik aan de Capitan uit dat Wim een zwak hart had. Hij had deze wandeling nooit moeten gaan maken. Waarschijnlijk was het puur uit verveling geweest. De politiemannen toonden zich verbaasd: ze hadden nooit geweten van dit plekje. Vreemd hoor, woon je ergens je hele leven en komt er een Nederlander om een onbekende plek aan je te laten zien. 

De Teniente had genoeg foto’s gemaakt, de Capitan sloeg voorzichtig de leren jas van Wim open, pakte een portemonnee eruit en knikte naar de ambulance-bemanning dat ze hun werk konden doen. Behendig schoven ze een soort leren geopende slaapzak onder en over het lichaam, ritsten die dicht en legden hem op de brancard. De Capitan keek intussen in de portemonnee en liet die aan zijn collega zien. Deze deed het ding in een plastic zakje en stopte die in zijn eigen jaszak. 

Daarna ging de optocht weer terug naar beneden. Daar aangekomen nam de Capitan me even apart. Ik moest hem morgen maar even bellen en vertellen wat we met Wim wilden aanvangen. Hier begraven of in Nederland? Ik zei hem dat ik verwachtte dat dat wel in Nederland zou zijn. Hij schreef een telefoonnummer voor me op en zei me dat ik daarvoor drie verklaringen nodig had. Een doktersverklaring omtrent de doodsoorzaak, een verklaring omtrent de vrijgave van het lichaam en een verklaring met een toestemming voor vervoer naar Europa.


Ik bedankte hem en zag toe hoe de brancard in de ambulance werd geschoven. Ze hoefden niet meer met Rosita te praten, wisten genoeg. Ik vroeg nog hoe lang alles zou gaan duren. Dat viel dik mee; als er niets geks uit de bus zou komen bij het onderzoek, zou dat ongeveer een week zijn. Terwijl de ambulance wegreed, stapten de politiemannen in hun auto. De Capitan deed zijn raam nog open. Ik dacht dat hij nog wat wilde vragen, maar voordat ik naar hem toe ging lopen, spoog hij een bruine straal naar buiten. Het raam ging dicht en ze reden weg. 


                             25

Ik ging bij Rosita in de auto zitten, die gelukkig weer een beetje tot bedaren was gekomen. Ze was blij dat de politiemannen niet met haar waren gaan praten; ze had het niet gekund. Ik kon haar geruststellen; de politie bleek weinig interesse in een gesprek met haar te hebben. Het leek er zelfs op dat ze heel weinig interesse in het hele geval hadden. Er viel op het eerste gezicht weinig uit te zoeken te zijn en de mannen gaven niet de indruk dat ze er ook maar even echt mee bezig zouden gaan. Ik zag zelf heus wel in dat er wat zwakke punten waren in mijn verklaring en was erg blij met de gemakzucht van de politie.

Rosita startte de auto en we reden de weg op, terug naar het hotel. Al snel begon ze te praten. Ze stond erop mij uit te leggen wat er tussen haar en Wim gebeurd was. Zij had een hele goede opleiding gehad, was een volledig gekwalificeerd accountant. Vanwege de zwakke gezondheid van haar moeder had ze ervoor gekozen om in haar geboortedorp te gaan wonen. Voor haar beroep was het beter geweest om naar Lima te gaan; er was daar volop werk voor haar geweest. In het dorp was echter niet veel te doen en daarom was ze in het baantje van assistente van de huisarts beland. Ze deed ook zijn administratie, de boekhouding en de belastingzaken. Volgens Wim vergooide ze haar toekomst en de manier waarop ze hem liet wachten, beviel hem ook totaal niet. Ze zou met hem mee kunnen gaan naar Nederland en daar aan de slag kunnen in haar eigen vakgebied.

Toen ze hem had gebeld om af te zeggen, was hij behoorlijk boos geworden. Ze vroeg mij of ook ik vond dat ze haar leven aan het verpesten was. Haar stem klonk alsof ze weer zou gaan huilen en om dat voor te zijn reageerde ik snel door te zeggen dat het haar leven was en dat alleen zij daarover kon beslissen. Ze knikte en parkeerde de auto bij het hotel.

Ik stelde voor om eerst maar wat te gaan eten en dan naar Wim’s  spullen te gaan kijken. Truus moest ook nog gebeld worden. Ik vertelde haar liever over de telefoon dat we hem gevonden hadden dan een mail te sturen. Ze moest ook nog beslissen wat er met hem moest gebeuren, begraven in Peru of in Nederland en wat ze met zijn bagage wilde. Rosita vroeg me heel even te wachten en belde met haar moeder. Het gesprek duurde maar kort, ze had kennelijk geen bezwaren.

Ons etentje was een beetje zwijgzaam; ik dacht na over wat ik straks tegen Truus moest zeggen en Rosita leek zenuwachtig te zijn over de bagage. Ze vroeg me onder het voorgerecht of ik het goed vond dat ze op de laptop zou gaan kijken. Ik had natuurlijk geen enkel bezwaar. Ik verbrak de stilte die daarna ontstond door haar te zeggen dat ik aan Truus hetzelfde zou gaan vertellen als aan de politie. Ze knikte, dat leek haar ook het beste om moeilijkheden te voorkomen, maar ze wilde niet zelf met Truus praten.

In mijn kamer aangekomen, pakte Rosita de tas met de laptop en ging ermee aan de toilettafel zitten. Alles bleek aanwezig en al snel kon ze de computer opstarten. Ik wilde haar helpen met het wachtwoord, had immers de memory-stick, maar ze was al aan de slag voordat het kon voorstellen. Ik haalde eens diep adem, zette me schrap op mijn hotelbed; ik moest Truus bellen.

Ze nam vrij snel op, de telefoon was maar twee keer overgegaan. Het leek er bijna op dat ze mij verwachtte.
Ik vertelde haar het hele verhaal in de officiele versie. Ze bleek niet echt verrast; het zat eraan te komen. Erg veel contact hadden ze nooit, maar er gingen nooit maanden voorbij zonder dat hij iets liet horen.

Ik vroeg haar wat ze met Wim wilde doen en ze vroeg mij om hem “thuis” te brengen. Dat het een week, misschien zelfs langer zou kunnen gaan duren, maakte haar niets uit. In zijn bagage had ze geen enkele interesse. “Geef het maar aan de Emmaus-gangers, of aan het Leger des Heils”, zei ze. Of ze besefte dat er een laptop bij zat, wist ik niet en ik begon er ook niet over.

Rosita begon intussen weer zachte huilgeluiden te maken terwijl ze naar een video-boodschap van Wim keek.
“Wat hoor ik toch?” zei Truus. Ik antwoordde dat de tv heel zacht aan stond en dat er inmiddels iemand voor mijn hoteldeur stond. Ik had het gesprek nog maar net onderbroken toen Rosita in luidruchtig huilen uitbarstte, opstond, voor mijn knieen op de grond stortte en haar hoofd in mijn schoot legde.


Ik streelde zachtjes haar haren om haar te kalmeren, wat niet echt leek te helpen. Ik dacht het eerst mis te hebben, maar ze had echt de knoop van mijn broek losgemaakt en ik hoorde haar mijn gulp openritsen. Ik probeerde haar hoofd weg te duwen. Dit wilde ik niet, zeker niet op deze manier, maar ze sloeg mijn hand zo’n beetje weg terwijl ik haar tranen op mijn vel begon te voelen. Ik voelde nog veel meer gebeuren en gaf mijn tegenstand op.


                                                          26

De volgende ochtend werd ik laat wakker; ik zou moeten opschieten om nog op tijd te zijn voor het ontbijt. Heel even was ik kwijt waarom het zo laat was, maar toen werd ik gewaar dat de lucht van haar parfum nog vaag in de slaapkamer hing. Op het kussen naast me zaten vlekken van haar mascara. Ik riep haar naam, maar er kwam geen enkele reactie. Rosita was duidelijk al vertrokken. Iets verder in de kamer kon ik de koffer van Wim zien staan: die moest ik nog kwijt zien te raken, maar ik zou eerst kijken of er toch nog iets was dat ik voor Truus zou kunnen meenemen.

Ik stapte uit bed en zag dat de toilettafel leeg was, Rosita had de laptop dus meegenomen. Snel sprong ik onder de douche, ik moest echt opschieten! Pas toen ik me aan het afdrogen was, werd ik het briefje gewaar dat naast de spiegel hing. Ik besloot het mee te nemen naar het ontbijt en het bij een kop koffie te lezen.

Toen ik zo’n beetje de ontbijtzaal kwam binnenhollen met een oog op de klok, kwam een ober op me af. Ik dacht eerst dat hij zou zeggen dat ik te laat was, maar in plaats daarvan maakte hij een bezwerend gebaar, “Tranquilamente!” Ik had alle tijd volgens hem.
Ik ging zitten en in een ommezien was ik voorzien van een fijne portie scrambled eggs en toast en wat nog belangrijker was: koffie.

Nadat mijn honger was gestild en ik een tweede kop koffie had gekregen, besloot ik de brief van Rosita te lezen.
Ze had blijkbaar in een la van de toilettafel het nodige gevonden, ze schreef op briefpapier van het hotel.
De inhoud van de brief kwam erop neer dat ze haar excuses aan mij aanbood. Ze had me gebruikt. Ze voegde er wel aan toe dat ze zich niet echt schuldig voelde, erg veel had ik er duidelijk niet onder geleden. (Ze was dus in staat grapjes te maken!)

Ik was vannacht een soort surrogaat-Wim voor haar geweest. Ze had willen weten hoe het geweest had kunnen zijn. Nadat ik in slaap was gevallen, had ze nog eens nagedacht over haar leven. Ze was (nog) niet in staat om afstand te nemen van haar moeder, de band was gewoon veel te hecht. Ze hadden elkaar heel hard nodig. Daarom wilde ze niet dat ik verder contact met haar zou zoeken. Voor eventuele vragen zou ze nog een week te bereiken zijn op internet. Daarna zou ze alles afsluiten, ze wilde verder niets met mij te maken hebben en evenmin met de familie van Wim. Als Wim nog in leven was geweest, had ze op dit moment ook met hem gebroken.

Ze sloot af met te zeggen dat ze had begrepen dat de laptop voor haar was bestemd; er stonden heel veel berichten van Wim aan haar op. Daar had een ander toch niets aan. Bovendien had ze tijdens mijn telefoongesprek met Truus begrepen dat die geen interesse in de bagage van Wim had en ze had gezien dat ik zelf al een laptop had.
Verder wenste ze me het allerbeste in mijn leven.


Ik stopte het briefje in mijn zak, nam nog een paar slokken koffie en ging toen terug naar mijn kamer. Ik had nog wat dingen te doen.
 Eerst belde ik de politie: ik kon bevestigen dat de familie Wim naar Nederland wilde laten vervoeren. De capitan begreep het zeer goed. Ik bood nog maar een keer aan om voor verdere informatie te zorgen als de politie die nodig zou hebben. Ik kreeg als reactie dat alles wel duidelijk was, maar als het toch nodig zou zijn, wisten ze me wel te vinden. En ik kreeg nog een keer te horen dat het zeker wel een week zou duren voordat alle bureaucratische rompslomp was afgehandeld. Ik hoefde me daar verder niet druk over te maken, hij zou het allemaal wel regelen; hij wilde de familie niet nodeloos belasten.

Nu resteerde alleen de koffer om me over te bekommeren. Zoals te verwachten was hij niet op slot. Erin trof ik de dingen aan die je zou kunnen verwachten: kleding, toilettas met onder andere scheergerei, deodorant, tandenborstel en tandpasta, een paar schoenen en een boek: “Nooit meer slapen” van W.F.Hermans. Een beetje wrang: Wim zou juist altijd slapen. Ik besloot het boek te bewaren en stopte het in mijn eigen koffer. Ik was blij dat ik toch nog even tussen de kleding zocht en een agenda vond, met een adressendeel en al. Daar zou Truus vast blij mee zijn.

Ik mailde haar over mijn laatste contact met de politie en over mijn vondst van de agenda. Ik stelde voor om de lijst met namen en adressen in een paar dagen over te mailen. Ik zou elke dag een stuk in een mail verwerken. Ik verwachtte toch niet veel meer te doen te hebben, dus had ik hier prima de tijd voor.

Daarna ging ik naar de receptie en vroeg aan de vriendelijke manager, mijnheer Sanchez of hij een adresje zou weten voor een koffer vol gedragen kleding en uiteraard legde ik nog even uit waar die kleding vandaan kwam. Hij knikte begrijpend en vroeg me de koffer naar zijn kantoortje te brengen als dat niet teveel moeite was. Uiteraard was het ook mogelijk dat hij iemand naar boven stuurde om de koffer op te halen. Hij zou verder voor de rest zorgen.

Ik bracht de koffer naar het kantoortje. Mijnheer Sanchez knikte me vreindelijk toe; hij had het gezien. Daarna ging ik naar Bar Mariposa en betaalde de rekening voor Wim’s verblijf in het hotel die de barman had voorgeschoten. Ik kon de man verder geruststellen over eventuele onderzoeken van de politie. De rest van de middag bracht ik door met het drinken van gratis Cristal bier, dat me steeds werd voorgezet door de duidelijk opgeluchte barman. 




                               27

Na een paar dagen had ik bijna alle namen van de lijst aan Truus doorgegeven. Ik was het overtikken eigenlijk goed zat en voelde me vrij dom dat ik het niet op een gemakkelijker manier wist te doen. Overtikken in deze tijd; menigeen zou me uitlachen in Nederland.

De telefoon op mijn kamer ging. Het was Mariana, die bij de receptie iemand had staan die met mij wilde praten. Ik vroeg uiteraard wie het was. Het bleek een journalist te zijn van El Comercio, een plaatselijke krant. Misschien dat ik me anders wel gevleid zou voelen met aandacht van de pers, maar nu had ik er bepaald geen trek in. Een goede journalist vraagt altijd door en ik was me er maar al te zeer van bewust dat mijn officiele verhaal over de vondst van de resten van Wim nogal wat hiaten vertoonde. Ik verzocht Mariana dus om de man weg te sturen; ik had geen behoefte om mijn verhaal aan hem te vertellen.

Terwijl ik de laatste namen, adressen en telefoonnummers in een mail naar Truus tikte, vroeg ik me af wie de krant had ingeseind dat er misschien een verhaal voor hen in zat. Het zou iemand van het hotel kunnen zijn, of zelfs wel een van de politiemensen waarmee ik te maken had. Hopelijk was het wegsturen door de receptie van het hotel voldoende geweest, maar ik had er een hard hoofd in.

Mijn vrees werd bewaarheid toen ik even uit het hotel liep om ergens wat te gaan eten. “Mister Musters! Mister Musters! Can I have a talk with you?” Nee, he! De journalist had zelfs een camera bij zich en had hem al in de aanslag. Ik besloot zelfs een foto onmogelijk te maken en liep overdreven bewegend naar het eerste het beste restaurant opmijn pad. Ik ging snel naar binnen in de hoop van de man af te zijn. Hij bleef inderdaad buiten staan en loerde naar binnen tussen de letters op het raam door.

Ik was achterin gaan zitten; het was er vrij donker en kon van daaraf het raam ook niet meer zien. Mezelf veilig wanend zat ik na een tijdje te genieten van een schotel lomo saltado, een soort Peruaans Chinees gerecht van rundvlees, tomaten, pepers en gebakken aardappelen. Uiteraard had ik er een Cristal bij besteld om de pepers wat te kunnen afblussen. Opeens klonk het weer: “Mister Musters!” Ik was zo dom om op te kijken en er was meteen een flits. Ik stond er waarschijnlijk heel fijn op met mijn mond vol.

“Mister Musters I want to talk to you!” Ik bekeek de man wat beter: het was een veertiger met een vriendelijk gezicht en gemilimeterd haar in een slechtzittend pak. Hij kon er bijna wel twee keer in. Waarschijnlijk was het een free-lancer. Hij legde een visitekaartje naast mijn bord. Ik had met hem te doen, maar had geen enkele keus dan te proberen van hem af te komen.

Ik maakte een gebaar naar de bediening, de ober kwam meteen en ik vroeg hem de manager voor mij te roepen. Deze verscheen vrij snel en terwijl de journalist vragen aan mij stelde en ik mijn hoofd schudde, werd de krantenman met zachte dwang de deur uitgewerkt. De manager pakte het kaartje op, verfrommelde het en bood zijn excuses aan. Dat was ook weer niet nodig, hij kon er ook niets aan doen. Ik was wel blij dat ik verder rustig van mijn maaltijd kon genieten.

Ik was even bang dat de journalist buiten op mij zou wachten toen ik terug naar het hotel wilde. Gelukkig was dit niet het geval. Ik hoopte dat ik nu van die hinderlijke man verlost zou zijn.
Die avond, terwijl ik mezelf zat te vervelen bij de televisie, werd er op mijn hoteldeur geklopt. Vreemd, ik had geen roomservice besteld en veel aanloop had ik hier natuurlijk niet. Voorzichtig deed ik de deur op een kier en jawel, alweer die klier.


Ik zag dat hij probeerde zijn voet tussen de deur te wringen, maar ik was hem te snel af en sloot hem met geweld. De man ging weer op mijn deur kloppen terwijl ik de receptie belde. Ik klaagde over de journalist en er werd me beloofd dat er snel iets aan gedaan zou worden. Dat klopte; een paar minuten later hoorde ik dat iemand van de hotel-security vroeg of de journalist wilde weggaan. Er klonk wat gemopper, toen wat schelden en daarna vielen er hoorbaar wat klappen. Maar langzaam maar zeker hoorde ik de geluiden wegebben.


Ik had met de man te doen, maar veel tijd om daar bij stil te staan, had ik niet. De telefoon ging; het was de Capitan. Ik hoopte op goed nieuws, maar hij vroeg naar de koffer. Er was niets bijzonders aan de hand, maar hij moest de procedures volgen. Ik legde uit dat ik het hotel gevraagd had om de inhoud van de koffer aan de liefdadigheid te schenken. Het enige dat ik nog in bezit had, was de agenda. Hij reageerde met te zeggen dat hij het wat eerder had moeten zeggen dat die koffer nog nodig was. Hij zou echter genoegen nemen met de agenda; de kleding zou er toch niet echt toe doen. Hij zou iemand sturen om de agenda op te halen.


Binnen het uur werd ik weer gebeld. De receptie meldde me dat er een agent stond, die iets kwam afhalen. Ik bracht de agenda naar beneden en gaf het aan de agent, die met zijn helm in de hand op me stond te wachten. Hij nam het ding aan, groette en beende de deur van het hotel uit.
Ik mailde het voorval aan Truus. Haar reactie was: "Ik wil alleen maar mijn broertje terug. Die agenda kan me niets schelen!"

                                                          28


De volgende dagen deed ik weinig meer dan te proberen de verveling te verdrijven. Ik was inmiddels wel klaar hier en wilde graag terug naar Nederland. Ik belde nog maar een keertje naar Ernesto. Ik betaalde hem 50 soles en hij reed een dagje met me rond in de omgeving. Daarna wist ik niets beters meer te doen dan een beetje op internet rondneuzen en een boek te lezen dat ik in de lounge had aangetroffen. Op een kast stond een rij boeken achtergelaten door hotelgasten. De meeste boeken waren in het Spaans, waar ik me niet aan wilde wagen, maar er stond ook een omnibus van Mickey Spillane.

Eindelijk, na 10 dagen, kwam het verlossende bericht van de politie dat alle verklaringen gereed waren en het lichaam was vrijgegeven. Ik vroeg nog naar de agenda, maar daar wist de man aan de lijn niets van af. Ik zou daarover nog worden teruggebeld. Aan de toon van zijn stem kon ik horen dat ik teruggave van de agenda gerust kon vergeten. 
Ik dacht terug aan de verslaggever, die kon ik gelukkig ook vergeten. Hij had na de aanpak door de security niets meer van zich laten zien of horen.

Ik boekte de eerstvolgende vlucht voor mij en de kist. Het regelen van vervoer voor het ding viel me nog behoorlijk mee. Op de dag van vertrek bedankte ik de manager nog eens uitvoerig. Mariana had geen dienst en dus liet ik een gesloten envelop met een kort bedankbriefje in mijn beste Spaans en een biljet van 50 soles voor haar achter. De agenda kwam inderdaad niet meer bij me terug; ik kon me er niet druk om maken en ik was blij dat ik de laptop niet had genoemd: die was anders dezelfde weg gevolgd.

Het was echt een genot om het vliegtuig van de KLM, vlucht KL 0744, in te stappen. Ik genoot van het horen van Nederlandse woorden, maar het werd allemaal behoorlijk wat minder toen ik ontdekte dat ik alweer naast een kolossaal persoon was gezet. Ditmaal was het een vrouw met een snor waar menig man jaloers op zou zijn. Zij zat al bij het raam en ik zou me er naast moeten gaan persen. Terwijl ik moed aan het verzamelen was, hoorde ik zachtjes achter me “Gaat u weer terug? Ik heb wel een beter plekje voor u. Kom maar mee.”

Het was dezelfde aardige stewardess als op de heenreis! Ik had op de heenreis niet echt goed gekeken, maar nu zag ik toch echt wel dat het een goed-ogende dame van tegen de veertig was. Ik was heel erg blij met haar en vroeg haar om me maar geen “U” te noemen. We stelden ons aan elkaar voor; ik had natuurlijk zelf ook wel op haar naamplaatje kunnen lezen dat ze Hanneke heette.

Ze posteerde me helemaal achteraan, een rij waar verder niemand zat. Terwijl ik me installeerde vroeg ze aan me of ik iets wilde drinken, straks zouden ze de etensronde doen en ook drankjes serveren, maar ze wilde mij met alle liefde voor die tijd iets toe smokkelen. Ik vroeg om een Heineken, inmiddels kon ik geen Cristal meer zien. Ze moest lachen toen ze me het blikje gaf, ik het meteen opendeed, een slok nam met mijn ogen dicht en zo’n beetje zat te kreunen van genot.

Na het eten was ik al bezig met mijn derde blikje toen ze met een stapel blauwe dekentjes voor de nacht kwam aanzetten. Ik wilde weigeren, maar ze hield aan: “Neem het nu maar, je weet maar nooit waar het goed voor is.” Ze gaf een knipoog die me deed denken aan receptionist Jose in Lima en ik kreeg een kleur als een biet. Ik voelde me als een schooljongen, maar nam het dekentje aan. Ze legde een tweede op de stoel naast me. “Die is voor mij.”

Toen ze na een tijdje naast me kwam zitten, vroeg ze: “Heb je nog leuke souvenirs uit Peru meegenomen?”
“Niet echt, wel een doodskist.” Mijn antwoord schokte haar zichtbaar. Ze kreeg nu zelf een kleur en bood meteen haar excuus aan.
Ik vertelde dat dat niet nodig was, het ging niet om familie of zo.

Ze wilde – als ik er geen bezwaar tegen had – horen over het hoe en wat. Op mijn antwoord dat het wel een heel lang verhaal was, reageerde ze door te zeggen dat we alle tijd hadden. Er lag een lange nacht voor ons.

                                                  ==============
    













3 opmerkingen:

  1. Deze reactie is verwijderd door de auteur.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Dear Albert, ik ben nu een fan! Wacht met spanning op het vervolg! Liefs, Celia

    BeantwoordenVerwijderen